Iran overweegt toenadering met Satan VS

In een hotel van het Iraanse ministerie van Islamitische Leiding kwam na de jongste verbouwing het bordje 'Weg met Amerika' niet terug. In de Verenigde Staten pleiten think tanks sinds enige tijd voor toenadering met het regime in Teheran. Vormt de verkiezing van de liberale Mohammad Khatami tot president een doorbraak in de betrekkingen tussen beide landen?

ROTTERDAM, 30 MEI. Er lijkt beweging te komen in de geheel vastgelopen relaties - non-relaties - tussen Iran en de Verenigde Staten. Na de verkiezing van de relatief liberale ex-minister van Cultuur Mohammad Khatami als president van Iran zijn in de VS opnieuw stemmen opgegaan voor herziening van het beleid om de Islamitische Republiek in een strikt isolement te plaatsen. “Het zou nu een goed moment zijn om de Iran-politiek in te ruilen voor iets positievers en creatievers”, schreef The Wall Street Journal dinsdag. Maar de vraag is: wie zet zonder gezichtsverlies de eerste stap?

Hojatoleslam Mohammad Khatami gaf de VS dinsdag op zijn eerste persconferentie als gekozen president de schuld van twee decades onderlinge frictie. Maar hij sloot een toenadering tot wat officieel nog steeds de Grote Satan is, bepaald niet uit. Verbetering van de betrekkingen met de VS hangen af van wijzigingen in de Amerikaanse houding jegens Iran, zei hij. “Maar helaas hebben we niets gezien. Daarom ligt de sleutel voor het probleem in hun handen, en niet in de onze.”

Op zijn beurt toonde president Clinton zich gisteren “geïnteresseerd” en “hoopvol” over de verkiezing van Khatami. Hij sprak van “het grote volk van Iran” en zei “niet gelukkig” te zijn met de huidige situatie. Maar hij zag nog “grote hindernissen” voor een toenadering en Amerikaanse functionarissen zeiden ook deze week weer dat Iran het eerste teken zal moeten geven. De woordvoerder van het State Department onderstreepte eens te meer dat de VS open staan voor een dialoog met Iran, zolang daarbij die zaken aan de orde komen die Washington tot zorg zijn. De belangrijkste daarvan zijn Irans steun aan internationaal terrorisme, zijn vermeende inspanningen zich kernwapens te verschaffen, schendingen van de mensenrechten en wat beschreven wordt als zijn “rabiate” verzet tegen het vredesproces in het Midden-Oosten.

De Verenigde Staten verbraken de diplomatieke betrekkingen met Iran in 1980 tijdens de bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran (waar radicale studenten de Amerikaanse staf 44 dagenlang in gijzeling hielden). De economische betrekkingen werden wel aangehaald, tot Washington twee jaar geleden eenzijdig een handelsembargo afkondigde uit protest tegen Irans rol in het internationaal terrorisme. Sindsdien mist de regering-Clinton zelden een gelegenheid om Iran aan de paal te nagelen: een maand geleden maakte het State Department Iran nog uit voor “eerste staatssponsor van terrorisme van de wereld”. Een week geleden meldde Washington dat Iran “het belangrijkste chemische-wapenprogramma ter wereld ontwikkelt”.

In de VS zijn de laatste maanden in think tanks en media al met enige regelmaat stemmen opgegaan die pleiten voor heroverweging van de relatie met het olierijke en strategisch gelegen Iran. “Niet meer sinds onze vervreemding van 'Rood' China zijn twee belangrijke landen zo van elkaar geïsoleerd - terwijl ze elkaar toch zo nodig hebben - als de Verenigde Staten en Iran”, schreef Robert Kaplan bij voorbeeld vorige maand in The Wall Street Journal. En Zbigniew Brzezinski, Richard Murphy en Brent Scowcroft, die allen hoge regeringsposities hebben bekleed, brandmerkten in diverse artikelen - onder andere in het jongste nummer van het gezaghebbende Foreign Affairs - de Amerikaanse sancties tegen Iran als ineffectief en de Amerikaanse pogingen Europese bondgenoten mee te krijgen als “een fout”. Volgens hen werkt “de huidige ruwe poging een heel land af te sluiten, averechts”, en zijn andere instrumenten beschikbaar om bij voorbeeld Iraanse terroristische activiteit aan te pakken.

Op het eerste gezicht leeft in Iran het Grote-Satansdenken onverminderd voort. De blinde muur van een flatgebouw in het centrum van Teheran is met de verfkwast veranderd in een reusachtige Amerikaanse vlag, met doodskoppen in plaats van de sterren. “Weg met Amerika, weg met Israel, weg met de contrarevolutie!” scanderen menigten op revolutionaire verjaardagen. Maar in het Laleh-hotel, eigendom van het Iraanse ministerie van Islamitische Leiding, is het bord: 'Weg met Amerika' na de jongste verbouwing niet teruggekeerd. Het is een wezenlijker signaal dan het uiterlijk vertoon van de menigte die weet wat zij geacht wordt te doen: Iran verlangt naar normalisering van de relaties.

“Maar we worden er een beetje moedeloos van”, zei recentelijk een Iraanse intellectueel die Teherans verhouding tot de buitenwereld van nabij volgt. “Er bestaat in regeringskringen slechts minimale hoop op een wijziging van de politiek in Washington. Zelfs pragmatici hier in Teheran zijn nu vermoedelijk tot de slotsom gekomen dat ze moeten wachten tot Clinton niet langer aan de macht is.”

Iran voelt zich gediscrimineerd: het Westen meet met twee maten, klaagde eerder dit jaar onderminister van Buitenlandse Zaken Mahmoud Vaezi in Teheran. “Als de mensenrechten een obstakel zijn, moet dat gelden voor alle landen hier in de buurt.” Zijn collega Abbas Maleki onderstreepte tezelfdertijd in een vraaggesprek nog eens dat Iran best wil praten met de Verenigde Staten en op welke voorwaarde: “President Rafsanjani heeft verklaard dat wij bereid zijn te praten als zij de (bevroren) tegoeden van de sjah aan de orde willen stellen. Maar niemand praat daarover in de VS.” Het gaat daarbij volgens Teheran om 12 miljard dollar, een bedrag dat volgens de VS zwaar overdreven is. Maar dat eerst - en anders dan maar niet.

Maleki signaleerde een tweedeling in de VS ten aanzien van de benadering van Iran. Enerzijds de media en denkers: “Die zien het belang van Iran in het Midden-Oosten. Zij vragen zich af of je eenzijdig sancties kan afkondigen tegen een land dat aan 15 andere landen grenst.” En anderzijds de regering: “Sommigen zijn jong, zij zijn niet op de hoogte van het belang van Iran, van de geschiedenis van Iran, van de Amerikaanse coup in 1953 tegen Iran”, toen de Amerikaanse Centrale Inlichtingendienst de Iraanse premier Mossadeq, voorstander van nationalisatie van de olie-industrie, ten val hielp brengen. “De reden van 1979, de Islamitische revolutie, lag in de staatsgreep van 1953.” Sindsdien was er sprake van zware politieke en culturele Amerikaanse druk. “Er werden een hoop zangeressen en danseressen uit de VS gestuurd naar een land met ten minste 7.000 jaar beschaving achter zich!” Gevoelens van vernedering beïnvloeden zoveel jaar later in revolutionaire kring nog de houding jegens de Amerikanen - en hoe radicaler de factie des te meer. Aan de andere kant is er de economische werkelijkheid, en die dicteert al geruime tijd de noodzaak van toenadering tot de VS. In Iran is ondanks de Amerikaanse sancties elk Amerikaans produkt te krijgen, van Coca Cola tot Marlboro's, en Parijs laat zich niet door Washington verbieden in de Iraanse olie te investeren. Maar de weg is omslachtig, de kosten zijn hoog, Irans ontwikkeling wordt geschaad - en de binnenlandse economische toestand is erg slecht.

Gekozen president Khatami herhaalde dinsdag op zijn persconferentie de rituele ontkenning van Iraanse terroristische activiteit: “We zijn altijd tegen terrorisme geweest, en speciaal tegen staatsterrorisme.” Opmerkelijker was wat hij zei over het Arabisch-Israelische vredesproces, dat altijd in Iran wordt verketterd. “Wij zijn geïnteresseerd in vrede en rust (..) op voorwaarde dat de rechten van alle partijen in deze kwestie worden nagekomen. Natuurlijk interveniëren wij niet in deze zaak, en wij laten die over aan het volk van Palestina en de regeringen en volkeren van de regio.” Het leek erg veel op een gebaar - en zo werd het woensdag ook door de Israelische minister van Buitenlandse Zaken, David Levy, opgevat en beantwoord: “Israel heeft nooit verklaard dat Iran een vijand is.”

Khatami volgt pas in augustus Hashemi Rafsanjani als president op. Opperste Leider ayatollah Ali Khamenei, een man van de hardere lijn, heeft de buitenlandse politiek in zijn portefeuille, en bovendien in het algemeen het laatste woord. Maar in elk geval is op dit moment de toon veranderd. “We zouden onbevoordeeld naar het Westen moeten kijken”, schreef Khatami deze week in de Arabische krant Al Hayat. “Zonder liefde - zonder haat.”