Bekvechten in cyberspace

David Brown: Cybertrends. Chaos, power and accountability in the information age. Viking, 280 blz. ƒ 65,80

Michael Dertouzos: What will be. How the new world of information will change our lives. HarperEdge, 336 blz. ƒ 58,75

John Seabrook: Deeper. A Two-Year Odyssey in Cyberspace. Faber and Faber, 288 blz. ƒ 48,55

David Shenk: Data Smog. Surviving the information glut. HarperEdge, 250 blz. ƒ 56,40

Het zat erin. Na alle juichverhalen over onze digitale toekomst, was het wachten op de analoge backlash. Terwijl Nicholas Negropontes lofzang op het internet-tijdperk, het zwarte bijbeltje Being Digital, nog grif over de toonbank ging, waren al ten minste drie auteurs het World Wide Web aan het afschuimen naar ammunitie voor de tegenaanval.

Het debat over cybercultuur komt daarmee in een volgende fase, die van de antithese. Naarmate de lofzang over de vrolijke anarchie die glasvezelkabels rond de wereld zullen pompen verstilt, klinkt al luider de roep om regulering en inbedding van de Web-cultuur in een civil society. Dat is goed, want niet alleen de dialectiek van de uitgeverij, ook die van het maatschappelijk debat dicteert dat er behalve aan het verspreiden van een utopie ook winst te behalen valt aan het lekschieten ervan.

Er speelt ook iets anders mee. Zo naïef als bij de introductie van een eerder nieuw medium, de televisie, zijn we natuurlijk niet meer. Destijds werd nog verwacht dat de kakelverse beeldomroep het volk niet zozeer zou verstrooien, alswel verheffen, met toespraken van notabelen, schaak en ballet. Het liep wat anders. In plaats van een eeuwig zondagmiddag-gebed kregen we een eindeloze zaterdagavond-grijns, en onze gastheer was: Hans van der Togt met zijn Rad van Fortuin. Staat ons met de digitale revolutie, in plaats van de beschavende werking die Negroponte eraan toeschrijft, hetzelfde te wachten? In sommige kringen is het salonfähig daarvan uit te gaan.

In 'La Maison Française' in New York, bijvoorbeeld, begin vorige maand. Voor een publiek van academische emigrés en studenten hield de Franse filosoof Alain Finkielkraut daar een lezing over de twintigste eeuw. We hebben niets geleerd van die eeuw, doceerde de denker, want in plaats van ons rekenschap te geven van de geschiedenis, probeert de moderne kosmopoliet zich in cyberspace los te zingen van de gemeenschap, de natie en alle andere banden met een verantwoordelijke, aardse werkelijkheid. Internet wordt weliswaar gepropageerd als een subversieve 'nomadische' gemeenschap, maar dat is een gotspe, meent de Fransman. Nomaden onttrekken zich aan regulerend toezicht, maar het principe van email is nu juist dat je overal bereikbaar bent. Je hebt altijd een adres, zij het niet hier op aarde.

Drie Amerikaanse auteurs zijn Finkielkraut bijgevallen, in recent verschenen boeken over het leven in cyberspace. Rode draad is hun overtuiging dat de inwoner van de global village, aan alle kanten ingeplugd en overstelpt met informatie, ten prooi zal vallen aan verwarring en vervreemding, temidden van digitaal lawaai. Maar ook in deze kritieken van de cybernetische rede wordt het volume allengs opgeschroefd: van modieuze scepsis tot totaalkritiek op de westerse beschaving.

John Seabrook, medewerker van The New Yorker, is met Deeper het mildst. Maar zijn boek is volgens de uitgever dan ook geen aanklacht of polemiek, maar 'de eerste literaire reisgids' door cyberspace. De digitale beginneling ('newbie') Seabrook doet verslag van twee jaar ontgroening in cyberspace, op zoek naar de kicks van email, chatboxen en nieuwsgroepen. Uitputtend behandelt hij zijn contact met Microsoft-topman Bill Gates. Seabrook mailt 'Bill' ('Ik hoor dat je veel leest'), 'Bill' mailt Seabrook ('ja, biografieën en autobiografieën'), Seabrook denkt na over 'Bill', 'Bill' nodigt Seabrook uit voor een praatje, ze mailen maar weer eens - zo gaat het door.

Deze moderne Odysseus sluit zijn zwerftocht door cyberspace ten slotte af met heimwee naar de 'echte' wereld. Hij mijmert over vrouw en vader, stuurt een email aan moeder, en komt dan tot dit inzicht: 'Ik kon niet helpen te denken dat alles wat me was overkomen in mijn twee jaar online, eigenlijk al was gebeurd lang voordat ik geboren was, en dat waar ik naar zocht in cyberspace iets was dat iemand anders lang geleden was kwijtgeraakt.' Juist. Zo is het maar net.

Noodkreet

Veel interessanter is Data Smog van David Shenk. Dit boek is de noodkreet van een moderne intellectueel die kopje onder dreigt te gaan in 'data smog' of 'information glut'. Zoals in het westen hongersnood is verdrongen door vetzucht als gezondheidsprobleem, zo heeft informatie-schaarste plaatsgemaakt voor information overload. Die klacht is bekend, maar Shenk staaft hem met cijfers. Niet alleen is de snelheid van computers de laatste dertig jaar elke twee jaar verdubbeld, ook hebben Amerikaanse televisie-reclames hun tempo gemiddeld verhoogd van 53 tot 25 seconden, en zijn de 'soundbites' in het tv-journaal gekrompen van 42 naar 8 seconden. Camera's, computers, kabels, satellieten - álles gaat steeds sneller.

Het menselijk brein, meent Shenk, is niet toegerust om in zulk tempo informatie te verwerken. Het wordt een snelkookpan waar elk moment de deksel kan afvliegen. Informatie-overload leidt tot stress, verwarring, oogklachten, verminderd oordeelvermogen en in het algemeen een lagere kwaliteit van het bestaan. Vermakelijk is Shenks tirade tegen de camcorder, de huis-tuin-en-keuken camera waarmee het eigen gezinsleven nu 24 uur per etmaaal kan worden vastgelegd - voor het geval er iets leuks gebeurt. Zulke klakkeloze registratie berooft ons juist van waar het bij 'sentimental journeys' om gaat, aldus Shenk: selectie en associatie.

Maar 'data smog' bedreigt niet alleen de gezondheid, ook de samenleving lijdt eronder, meent Shenk. Resultaat van de dolgedraaide zap en surf-cultuur is een culturele versplintering: een 'natie van eenzame moleculen' die alleen in elektronisch stamverband met elkaar communiceren, en een gemakkelijke prooi worden voor commerciële en politieke manipulatie. Met name in Amerika is de laatste jaren een lucratieve handel ontstaan in databanken en digitale informatie. Volgens Shenk - en hier neemt zijn verhaal een politieke wending - betekent dat een buitenkans voor ongebreideld kapitalisme, dat elke vorm van publiek toezicht wil omzeilen. Cyberspace 'is Republikeins', al is juist de huidige Democratische president Bill Clinton 'de belichaming van het informatie-moeras', met zijn obsessie voor feiten, cijfers en opiniepeilingen en zijn eindeloze gedraal en getreuzel als het om beslissingen gaat. Geen wonder, aldus Shenk: hoe meer informatie, hoe moeilijker het wordt samenhang aan te brengen en iets te doen.

Zijn remedies steken wat pover af bij dit doemscenario. Zo heeft Shenk zelf zijn televisie in de kast gezet. Dat is mooi. Ook geeft hij zijn lezers tips om junkmail en andere brievenbusvervuiling te weren. De overheid beveelt hij aan striktere wetgeving in te voeren om mediavervuiling in te perken en privacy te beschermen. Hoe sympathiek dat mag zijn, het voegt toch weinig toe aan het aloude gelamenteer over het jachtige moderne leven. Shenk wil de barbaren buiten houden, en sluit daarom maar de deur voor iedereen. Maar juist de beperkte capaciteit van mensen om informatie op te nemen kan een deel van de oplossing zijn. Mensen zullen altijd informatie schiften, ordenen en, als het ze te veel wordt, simpelweg niet meer opnemen. De oertijd hebben we tenslotte ook overleefd, in grotten overgeleverd aan het bombardement van indrukken dat de natuur op ons afvuurde.

Een groot deel van het debat over internet bijvoorbeeld gaat de laatste jaren juist om de vraag hoe orde kan worden geschapen in de digitale chaos, met zoekmachines en andere procedures. Morele overwegingen spelen een steeds grotere rol: internet-aanbieders zijn onder druk van overheden en organisaties van bezorgde ouders in toenemende mate geneigd kinderporno van het net te weren. Televisies kunnen een chip krijgen om 'ongewenste' programma's te weren: dat is een voordeel van de steeds individuelere mediawereld die Shenk betreurt. De televisie in de kast zetten is dan wel de primitiefste oplossing. Je bril afzetten om geen boeken meer te hoeven lezen kan ook, maar beter is het om mooie boeken uit te kiezen. Ook zijn vrees voor een natie van 'eenzame moleculen' lijkt overdreven. Op internet is meer communicatie te vinden dan op de bank voor de televisie. Het blijvende succes van een oud medium als de krant, niet samengesteld door lezers maar door een redactie, geeft bovendien aan dat mensen niet alléén maar gelijkgezinden willen ontmoeten en altijd ook verrast willen worden. Maar weinigen zullen zich als nieuwe kloosterlingen geheel laten opsluiten in cyberspace.

David Brown, een Amerikaans-indiaanse journalist die in Nederland woont, gaat in Cybertrends nog verder dan Seabrook en Shenk. Hij ziet de digitale revolutie als een wereldwijde dreiging uit het imperialistische westen. Het 'cybernetische perspectief' is 'het paradigma van onze tijd', gekoppeld aan een agressieve expansie. In de razernij van een mondiaal marktdenken dat overal een 'supermarkt lifestyle' wil vestigen, zal gewone medemenselijkheid het loodje leggen, vreest hij. Dat is geen toevallig bijverschijnsel van dat digitale wereldbeeld, meent Brown, maar de kern ervan: denken in nulletjes en enen reduceert de wereld tot een 'door de computer gereconstrueerde droom'. De 'binaire taal is bewust ontworpen om historische en spirituele waarheden in ons collectieve Zijn te verdonkeremanen'.

Zoveel zwartgalligheid herinnert aan de Duitse cultuurkriticus Martin Heidegger die al decennia geleden een heerschappij van 'cybernetica' voorzag, waarvan alleen een 'god' ons nog kon redden. Ook Brown spreekt van 'een crisis van monumentale afmetingen' en 'een nieuwe vorm van slavernij'. En zoals Heidegger, naar eigen zeggen, eens een academische promotie weigerde omdat een wijze oude boer bij zijn blokhut in het Zwarte Woud zwijgend zijn hoofd had geschud, zo beschrijft Brown hoe een voorbijganger 'meewarig zijn hoofd schudt' als hij de auteur in diens vakantiehuisje in de Ardèche achter een lap top ziet werken.

Als hij retoriek en pathos achterwege laat, slaagt Brown erin verontrustende ontwikkelingen op technologisch gebied intelligent in kaart te brengen - zoals de strijd in Zuid-Amerika om patenten van inheemse planten en zelfs van indiaans DNA. Maar als geheel is zijn diagnose, net als die van Shenk, 'over the top'. Je vraagt je af wat er nog aan te dóen is, als de wereld er zo slecht voor staat, behalve lijdzaam afwachten - Heideggers keus. Bovendien hinkt Brown op twee gedachten: de informatie-revolutie is 'wereldomspannend', maar tegelijk van beperkte schaal: maar één procent van de wereldbevolking 'zit op' internet, één op de vijf mensen heeft een telefoon. Met die expansie schiet het zo bezien nog niet erg op.Na deze cultuurkritiek leest het boek van Michael Dertouzos, What will be, als een tweede-generatie-verdediging van het cybertijdperk. Dertouzos behandelt, in een heldere stijl, oorzaken en gevolgen van de 'informatie-revolutie'. Aan bod komen allerlei nieuwe snufjes die ons te wachten staan, van een handig elektronisch 'body net' - dat de gebruiker verbindt met telefoon, pieper, video en email - en een 'smart house' met geautomatiseerd huishouden, tot vernieuwingen in geneeskunde, wetenschap en economie. Voor de consument zal het digi-tijdperk leiden tot veel sterker op het individu toegesneden diensten en produkten, 'customized goods', wat volgens Dertouzos een terugkeer betekent naar de tijd van vóór de Industriële Revolutie en massaproduktie.

Big Brother

Dertouzos geeft zich intussen rekenschap van de cyber-critici. Hij is wars van hype ('the whizz-bang stuff') en erkent de beperkingen van de Informatie Markt, zoals hij de wereldwijde digitale cultuur noemt. Die is handig voor allerlei huiselijk comfort, zakelijke transacties en wetenschappelijke innovaties, maar laat bijvoorbeeld menselijke contacten en emoties maar ten dele door. Niet-virtueel contact blijft onontbeerlijk, ook om een intieme email-wisseling aan te vullen. 'Aan zichzelf overgelaten' zal de Informatie Markt ook de kloof tussen arm en rijk vergroten, en sociale spanningen oproepen met de potentie van geweld en opstanden. Conclusie: die Markt moet niet aan zichzelf worden overgelaten. De Informatie Markt verwijdert niet de noodzaak van menselijke bemiddeling, concludeert Dertouzos, integendeel: die wordt alleen maar belangrijker.

Dat is een belangrijk inzicht. Het probleem is alleen dat Dertouzos wel bereid is die conclusie te trekken, maar de consequenties ervan nauwelijks onder ogen ziet. Wát moet er dan gedaan worden, en door wie? Aan die vragen gaat de MIT-directeur te snel voorbij. De burger blijft bij hem een consument, die vooral veel aangenaams te wachten staat. Over het gevaar van overload merkt Dertouzos op dat het menselijke vermogen tot zelfbeperking uit lijfsbehoud dit zal voorkomen. 'We bellen ook niet alle 700 miljoen telefoons ter wereld.' Over het gevaar van de staat als 'Big Brother' is hij laconiek: dat zal wel meevallen omdat de digitale revolutie nu eenmaal afkomstig is uit landen die een democratische staatsvorm kennen. Een voorbeeld van begging the question. Voor het overige houdt Dertouzos het erop dat de informatie-revolutie simpelweg te veelzijdig en 'groot' is om zelfs door een Enorme Broer te worden gecontroleerd.

Dertouzos spreekt de hoop uit dat de 'techie' en 'humie' die sinds de Verlichting hun eigen weg zijn gegaan in de westerse cultuur, een nieuw huwelijk zullen sluiten. Maar zijn eigen magere en wat weeïge weergave van de 'humies' boezemt weinig vertrouwen in. Het doemscenario van Heidegger mag paranoïde zijn, hier krijgt het geen adequaat weerwoord - al kun je je afvragen of er voor heideggerianen zoiets als een adequaat weerwoord bestaat. Dit nuchtere boek is een stap vooruit vergeleken bij de cybertheologie van Negroponte. Maar niet meer dan een stap. Na de these en de antithese, wordt het tijd voor de synthese in cyberzaken.