Vruchten plukken in de polder

Niet langer leeft Nederland thuis op te grote voet en speelt het gidsland in het buitenland. Hoe een klein land tussen grote buren slim kan zijn.

ALLES IS, ook voor Nederland, anders geworden sinds - tussen najaar 1989 en eind 1991 - de Duitse en de Europese deling en de Sovjet-Unie verdwenen. De dreiging, de internationale overzichtelijkheid en de samenbindende waarde van de Koude Oorlog zijn verdwenen. De aangename spagaat die onze buitenlandse politiek sinds 1945 had gekenmerkt - economische integratie en voorspoed in Europa, niet al te dure veiligheid in de NAVO - ging een ingewikkelder soort gymnastiek eisen. Meer T-splitsingen, wegkruisingen en keuzeverplichtingen - en dat bijna dagelijks, als het ware. Met nieuwe taken en verplichtingen voor Europa en een andere, soms dunnere band met de enig overgebleven supermacht, in Washington. En nieuwe economische eisen om bij te blijven. “Na 45 jaar kloosterleven zijn we in een harem beland”, zoals oud-staatssecretaris E.H. van der Beugel het in 1994 met een beeldende typering zei.

Natuurlijk hadden die veranderingen niet alleen voor Nederland een dramatische breukwaarde. Nieuwe onzekerheden gingen overal een rol spelen. Maar toch kan worden gezegd dat het ging om de tweede grote breuk in het buitenlands beleid van het Koninkrijk der Nederlanden. De eerste was na de Tweede Wereldoorlog, toen Nederland na 125 jaar voordelige neutraliteit (1815-1940) vlot overging tot het collectieve veiligheidsstelsel van de NAVO. En even later plaatsnam in de voorhoede van de Europese integratie als een van de zes oprichters van de Europese Economische Gemeenschap, die toen nog vooral een douane-unie was, met de inbedding van de Duitse Bondsrepubliek en Frans-Duitse samenwerking als belangrijkste politieke nevendoelen.

Heel behaaglijk voelde Nederland zich die eerste twintig jaar onder de veiligheidsparaplu van de NAVO, waaronder het een van de saaiste maar ook een van de betrouwbaarste bondgenoten was. Een bondgenoot die onder een premier als de oude heer Drees vrij geruisloos - zelfs zonder parlementair debat - Amerikaanse kernwapens tot zijn grondgebied toeliet (goedkoper dan soldaten, immers). En die zijn oude veiligheidsangsten tussen grotere Europese landen meestal zag weggestreken door de hand van de nóg veel grotere Amerikanen.

Tot diep in de jaren zestig was Nederland verzuild en kalmpjes-vastberaden doende met zijn restauratie. Een beperkte elite van krijtstreepdragers rondom het Haagse Plein kon - tamelijk ongehinderd door de media, de bevolking en het parlement - het beleid bepalen. Soms met een vroom woord voor het buitenland aangaande het belang van de internationale rechtsorde, maar - dat hoefde toen nog niet uitdrukkelijk te worden gezegd - steeds met het nationale belang voor ogen. En zo gedroeg Nederland zich ook, als een van de eerste Zes relatief machtig in EEG-verband. Met mede-belanghebbende Frankrijk werd, op kosten van de Duitse kassa, een profijtelijke Europese landbouwpolitiek opgezet, die beide landen tot grote exporteurs en langdurige 'nettoverdieners' zou maken. Met de Westduitsers was het goed zaken doen om de Nederlandse voorkeur voor vrijhandel tegen Parijs door te zetten. Joseph Luns, de record-minister van Buitenlandse Zaken, de man die uniek én archetypisch voor deze tijd was, kon het zich bijvoorbeeld nog veroorloven af en toe tegelijkertijd zowel de Duitse bondskanselier, Adenauer, als de Franse president, De Gaulle, tegen zich in het harnas te jagen. Kom daar vandaag maar eens om. Nederland - overtuigd als het op zichzelf was van nut en noodzaak van de Frans-Duitse verzoening - had ook zijn oude Europese balanspolitiek, zijn angst voor directoraten van de Groten, niet vergeten. En het ijverde dus óók hardnekkig voor Britse toetreding tot de Gemeenschap, zowel om meer manoeuvreerruimte jegens de as Parijs/Bonn te krijgen als met het oog op zijn Atlantisch-maritieme standbeen.

In elk geval was toentertijd zowel de nationale positie als het politieke zelfvertrouwen, ondanks het verlies van Indië, zó groot dat Nederland met zijn snelgroeiende economie ('leve de Marshall-hulp') en zijn consensusmodel zich geregeld manifesteerde als 'de grootste van de kleinen'. Wat vooral België irriteerde en zodoende hielp verhinderen dat de Benelux veel meer werd dan een internationaal gangbare samentrekking.

Grote externe veranderingen hadden voor de beleidsbreuk van 1945 gezorgd. Grote veranderingen in Nederland zelf zouden - eind jaren zestig, begin jaren zeventig - voor een interne beleidsbreuk zorgen.Weer gebeurde dat alsof er een aardschok door het land ging. De grote naoorlogse geboortegolf raakte volwassen, de kiesgerechtigde leeftijd werd verlaagd, de ontzuiling kreeg een hevige versnelling, de in nationale harmonie bedreven economische restauratie was nagenoeg voltooid en het land bleek óók nog eens te beschikken over grote aardgasreserves (te verhandelen in dollars, bij een dollarkoers van destijds 3,60 gulden).

Wat harmoniemodel? Politieke strijd en maatschappelijke conflicten gingen het beeld bepalen, zoals elders allang het geval was, doodgewoon nu er intussen op veel gebieden heel wat te (her)verdelen viel. Maar het was riskant omdat, zoals een decennium later goed zou blijken, iedereen net iets te veel wilde en ook veel politici de nieuwe situatie liever met het chequeboek dan met harde keuzes wilden verwerken.

Nederland beleefde op een breed terrein een soort uitgestelde politieke en cultureel-psychologische revolutie en democratiseerde zichzelf in een paar jaar tijd ademloos naar een andere gedaante. Eerst ging het daarbij natuurlijk om materiële kwesties (inkomens, politieke macht), maar gaandeweg raakten ook de oude elites op het gebied van de buitenlandse politiek hun nog ongestoorde machtspositie kwijt. De televisie bracht de wereld in de huiskamer, het beleid moest worden uitgelegd en verdedigd en werd zelfs electoraal interessant. Dat bleek uit een opkomend kernwapendebat (neutronenbom) en posters aan de ramen voor de erkenning van verre landen (Guinee-Bissau bijvoorbeeld). En uit felle discussies, vooral in de PvdA en links daarvan, over het NAVO-lidmaatschap en de daaraan te stellen voorwaarden. Portugal (van dictator Salazar) eruit of wij eruit, en zo meer. Luns-time was over, althans in Nederland, dat hem naar de NAVO zag vertrekken.

Naarmate het ledental van de Europese Gemeenschap groeide van zes naar twaalf leden (nu vijftien), en de integratie ervan voortschreed, verminderde ook het relatieve gewicht van Nederland daarbinnen. In de NAVO was het bovendien niet meer de trouwste bondgenoot van voorheen. Het bondgenootschap was altijd een hoeksteen van ons buitenlands beleid geweest, onder meer in verband met de integratie van de Bondsrepubliek, en bleef dat officieel ook. Toen Nederland echter voor het eerst, inzake de eventuele plaatsing van kruisraketten, door de Duitse kanselier, Helmut Schmidt, rechtstreeks om steun en rugdekking werd gevraagd, klonk jarenlang een oorverdovende gewetensnood op ('79-'85), die onder de naam hollanditis een zekere exportwaarde zou krijgen. Nu was de rakettenkwestie hier te lande ook binnenlandse politiek met een ander, buitenlands-politiek, middel. Want na jaren van polarisatie van links tegen de confessionele partijen van het midden was de kruisraket voor de PvdA vooral een helse machine die het intussen gevormde, maar verdeelde CDA in de problemen moest brengen. Het pakte anders uit, de PvdA bleek zichzelf te hebben geïsoleerd met haar onverzoenlijke standpunt dat ze nooit aan enig kabinet zou deelnemen zolang die raketten niet categorisch werden afgezworen (of direct uit Nederland verwijderd). Uiteindelijk werd de PvdA - het is pas tien jaar geleden - uit haar ongemakkelijke positie verlost door het rakettenakkoord van Gorbatsjov en Reagan, waarvoor de Amerikaanse oud-president allang een borstbeeld in het PvdA-hoofdkwartier zou moeten hebben.

Voor het aanzien van Nederland als internationale partner was deze jarenlange treurzang niet goed geweest. Het is daarom ook best te begrijpen dat sommige toenmalige voorzangers niet graag meer aan die tijd worden herinnerd. Of zelfs intussen als krachtige NAVO-propagandisten zijn gaan optreden. Maar goed, die scherven zijn intussen geruimd, mede doordat de Europese omwentelingen die even later volgden alle aandacht opeisten. Omwentelingen trouwens die ook nog wel wat te maken hadden met het rakettengevecht als een laatste grote krachtmeting tussen Oost en West.

Nederland is nu - een kleine dertig jaar na 1968 - intern in veel rustiger vaarwater geraakt. Illustratie daarvan is een paarse coalitie, waarin de oude vijanden PvdA en VVD soms wel een beetje tegen elkaar blazen, maar overigens mooi samenwerken. Met de misère van eergisteren, toen thuis op te grote voet werd geleefd en elders gidsland werd gespeeld, is goeddeels afgerekend. Al zijn natuurlijk de moraliserende toon, een zekere naïviteit en een neiging tot zelftevreden dogoodism niet helemaal weg. Niettemin: het land kent bijna geen dubbele agenda's en zijn binnenlandse uitgangspositie voor het buitenlands beleid is wel eens slechter geweest.

Het is er soms weer een beetje saai, maar het polderland plukt de vruchten van zijn herstelde consensusmodel, dat al in 1982 met het Akkoord van Wassenaar een aanloop nam naar het succes van vandaag. Problemen als in Duitsland, dat erg dringend moet moderniseren én wennen aan zijn nieuwe omvang en gewicht, heeft Nederland niet. Het mag dan in Parijs een 'narcostaat' zijn genoemd, het heeft een veel beweeglijker sociale en economische structuur dan Frankrijk en niet de verstoppingsproblemen die dat zo gecentraliseerde land in zijn bestuur kent. Het lijdt ook niet onder een half geamputeerd Atlantisch been en een vaak onpraktisch anticontinentalisme als Groot-Brittannië, al zou dat straks - naar het woord van Monnet - toch wel weer gevoelig kunnen zijn voor Europese faits accomplis. Bijvoorbeeld dat van de muntunie.

Wat staat Nederland te doen, zeg in Europa, waar de keuzes zoveel moeilijker zijn geworden? Meer kijken naar Midden- en Oost-Europa bijvoorbeeld, en er meer doen. En daarom ook: mikken op integratie, met Duitsland vooral, dat niet op zichzelf mag worden teruggeworpen (of dat gevoel mag krijgen). Bedoeld is integratie zonder federatieve fantasterij en zonder zich in al te grote afhankelijkheid van de oosterbuur te begeven. Daarom ook: verbetering van de verhoudingen met Frankrijk al valt dat niet mee.

Voorts: liever geen, of slechts incidenteel, kleine-landencoalities entameren, want die hebben geen werkelijke macht en irriteren de Groten. Liever niet voortdurend over bedreiging van de eigen identiteit praten, want die wordt van klagen niet beter. Liever ook niet, zoals de VVD, almaar over onze status van 'netto betaler' spreken of het vetorecht als een van onze grootste schatten aanprijzen. Wat een halve eeuw geleden gold, is namelijk nog steeds waar: de Europese integratie mag weerbarstig zijn, maar ze is goed voor een klein land dat een economische bovenschaligheid kent en de kost voor een belangrijk deel buitenshuis moet verdienen.

Er is bovendien geen alternatief. Is dat bijna allemaal al regeringsbeleid? Dat is dan mooi.