Technolease voor meer bedrijven gebruikt

DEN HAAG, 27 MEI. Naast Fokker en Philips hebben drie met name genoemde andere ondernemingen gebruik gemaakt van technolease-achtige constructies.

Minister Zalm (Financiën) heeft dat enkele weken geleden verklaard in een vertrouwelijk overleg met de Tweede Kamer. De technoleases werden zonder politieke bemoeienis door belastinginpecties goedgekeurd. Het ging om twee bedrijven in de periode '91-'94 (de omstreden Philips- en Fokker-technolease zijn van '93 en '94) en om een bedrijf in 1987.

Dat melden bij het overleg betrokkenen. De mededeling van Zalm wijkt af van schriftelijke antwoorden die het kabinet eerder naar de Tweede Kamer had gestuurd. Volgens het rapport 'Financiële relaties met grote ondernemingen' van de Algemene Rekenkamer van oktober vorig jaar werd de technolease voor het eerst toegepast in 1993 tussen de Rabobank en Philips.

De Rekenkamer baseerde zich hierbij op informatie van het ministerie van Financiën. Staatssecretatis Vermeend meldde najaar 1994 ook al aan de Kamer dat de Philips-technolease de eerste in zijn soort was.

In antwoorden op vragen van de Tweede Kamer naar aanleiding van de technolease deelde het kabinet dit jaar vervolgens mee dat de technolease tussen Philips en de Rabobank in 1993 niet de eerste was.

In 1987 is de constructie ook al eens toegepast. Maar deze fiscale transactie, waarbij een onderneming kennis aan een bank verkoopt en die vervolgens terughuurt, is niet voorgelegd aan het ministerie in Den Haag maar door de belastinginspecteur gefiatteerd.

Het ministerie van Financiën gaat op dit moment na of er nog meer technolease-constructies zijn geweest. Europees Commissaris Van Miert (mededinging) onderzoekt of de fiscale steun in strijd is met Europese afspraken over staatssteun.

Het kabinet hoopt met meer technolease-gevallen aan te tonen dat de constructie op grotere schaal is toegepast en derhalve geen sprake was van discriminatie.

Een verzoek van transport- en containerbedrijf Nedlloyd voor een technolease werd in 1994 afgewezen.

Het bedrijf had het gevoel “niet eerlijk behandeld te worden”. “Wij waren kennelijk niet zielig genoeg”, zei financieel directeur De Kanter.