Oesters

Ik had een afspraak in café De Beurs. Op weg daar naar toe kom ik onze vriendin Annet tegen, die als een pinguïn, de vleugels wijd, met kistjes oesters loopt. Oesters die ik 's avonds zal eten, vertrouwt ze me toe. Die heeft ze op de markt gekocht en natuurlijk help ik haar die zware dieren naar de auto te brengen.

Ook kan ik haar van dienst zijn door haar schoonzuster te bezoeken die tegelijk mijn zuster is en een mapje foto's af te geven, waar ze vreest ze zelf geen tijd voor heeft. Ik moet tóch in de buurt zijn, geef maar mee. Zo is het leven in de stad vol onverwachte gebeurtenissen, meer dan op een dorp. Daarom kan men op een dorp tot rust komen.

's Middags zit ik bij mijn zuster, met de foto's. Zwart-wit en vergeeld, want het zijn oude kiekjes. Ik had ermee kunnen volstaan ze af te geven, maar ik wil ze zelf ook wel even zien, samen weet je meer dan alleen. Tante Rink, tante Jaai, de school in Wommels, bakker Nettinga uit Cubaard en ik vertel m'n zus van de laatste autotocht met mijn vader die 't vaak over de school van Wommels had en die die middag de school niet herkende, maar wel plotseling de sloot in Cubaard waar hij overheen was gesprongen en toen ook meteen zowat uit de auto sprong. Het was zondag, de kerk kwam uit en hij klampte de jongelui aan omdat hij ze na zeventig jaar nog herkende. Ze praatten Fries en hij ook, hij praatte na zeventig jaar weer z'n jongens-Fries, de taal werd vaardig over hem en op de terugweg naar Groningen praatte hij nog steeds Fries en vertelde hij me wie hij allemaal had herkend.

Een half uur later wordt er gebeld door iemand van wie ik vermoed dat het Ellen is die samen met mijn zus naar New York zal, maar horende dat haar tante bezoek heeft van haar vader, vraagt of ze me even aan de lijn kan krijgen. Zij zal immers morgen mijn vloer schilderen, maar waarom niet al vandaag daar mee begonnen. 'Als ik tenminste met je mee kan.'

Natuurlijk kan dat en even later zijn we op weg naar huis, staan we in een file, want het is vrijdagmiddag. Op het Julianaplein, waar acht stromen auto's op elkaar staan te wachten en elke keer verbaas ik me over de groeiende massaliteit van wat toch niet meer is dan provinciaal wegverkeer. Wat moeten al deze mensen toch in een auto. Terug naar hun dorp?

Waar wij heen gaan, is duidelijk. Een dorp mag het niet eens heten, noem het een gehucht, en daar strijken we neer, in de rieten stoelen die voor ons klaar staan, genietend van een long drink en van elkaars aanwezigheid die weer onverwacht met één avond is verlengd.

Een bijzondere avond, want, gealarmeerd door een gasuitstoot, zien we een grote luchtballon boven ons hangen, en langzaam wegdrijven, en nog een, en nog een. Zonder Ellen hadden we dit, om het zo maar 's te zeggen, rustig over ons heen laten gaan, maar met Ellen gebeurt er altijd datgene wat er zonder haar niet gebeuren zou en even later jakkeren we met z'n drieën op twee fietsen de weg af naar Taarlo, waar we ze beter kunnen zien: geen bomen, open vlakte en opnieuw drijven ze over ons heen, dalend en weer snel stijgend door een nieuwe stoot vuur. Dat die dingen niet in brand vliegen. Vijf, zes, zeven ballonnen drijven door de lucht, stil en groot als planeten. Ellen staat te wuiven, met beide armen en wij ook, alle drie wuiven wij, eendrachtig, opdat er teruggewuifd wordt - we willen gezien worden. En zowaar, de laatste, de grootste, antwoordt.

'Wie zijn jullie!!'

Een stem, geslepen door de ruimte. Zo'n angelieke stem heb ik nog nooit gehoord.

Wie zijn wij, ja wie zijn wij! We gooien het hoofd in de nek en roepen onze namen - zonder te horen of ons roepen hen bereikt. Aangezet door een vuurpijl in zijn binnenste zeilt het gevaarte omhoog en heen...

We fietsen terug, naar Taarlo, waar een terras met witte stoelen ons uitnodigt plaats te nemen en uit te rusten. We praten, door elkaar, nog steeds lichtelijk geëxalteerd door 'ons gesprek met de hemel'. Wie zijn jullie!!

Het is doodstil. Waar blijft de koffie. Er komt maar niemand. Dat klopt. Het restaurant is gesloten. We loeren nog even naar binnen en stappen op.

Over een uur zitten we aan de oesters.