Volkseigen milieubeleid in Oostenrijk

Hoe hevig worden de sentimenten nu 'Europa' dichterbij komt? Op weg naar de top in juni een serie over de lasten en lusten van de EU. Deel 12: Oostenrijk. “Zit er bloed in de EU- chocolade en schildluis in de yoghurt?”

Oostenrijks weg naar Brussel was spectaculair. De campagne die voorafging aan het referendum in 1993, waarmee Oostenrijk besloot tot de EU toe te treden, baarde in heel Europa opzien. Wonderlijke onderwerpen doken op in de Oostenrijkse media. Zal Brussel de Oostenrijkse goudvoorraden opeisen? Wordt het goede Oostenrijkse drinkwater naar Spanje gepompt en krijgen de Oostenrijkers vervolgens vies water te drinken? Zit er bloed in de EU-chocolade en schildluis in de yoghurt? Staat de Oostenrijkse kanselier onder invloed van de vrijmetselaars?

Er is maar één man die dergelijke argumenten kan verzinnen en ze nog durft uit te spreken ook, en dat is Jörg Haider, leider van de extreem-rechtse Freiheitlichen. Achter zijn woorden sluimeren oude stereotypen: de Brunnenvergifter, de vrijmetselaars - in antisemitische kringen een codewoord voor joden. Daarmee speelde hij in op de reële angsten van de bevolking: de Oostenrijkers zijn erg bezorgd over de vervuiling van het milieu. Dit was een van de belangrijkste onderwerpen in de discussie over toetreding tot de Europese Unie (EU).

Haiders leus was: De buitenlanders bedreigen onze lucht, ons water en ons voedsel. Ook de Oostenrijkse Groenen waren tegen de aansluiting bij de EU, maar dan met gefundeerde bezwaren, bijvoorbeeld de milieuwetgeving en het transitverkeer. Oostenrijk is een klassiek transitland en vooral het door Tirol daverende vrachtverkeer zorgt voor veel onrust onder de bevolking. Van het hele Oostenrijkse transitverkeer rijdt zeventig procent over de korte route van de Duitse naar de Italiaanse grens. Voor de bewoners en het milieu is dat rampzalig. Dag en nacht een hels lawaai en een stinkende lucht zijn moeilijk te verdragen.

Lilo Schmidt, verkeerspsychologe en chef van het buro SOMO dat onderzoek naar mobiliteit verricht, kijkt met gemengde gevoelens naar Brussel. “Het vrachtverkeer is een Europees probleem. Belastingvoordelen en loonverschillen leiden ertoe dat varkens en yoghurt van noord naar zuid en weer terug reizen. Een andere ramp is de just in time production, bedrijven die geen voorraden meer houden. Zij plaatsen hun orders pas op het laatste moment en besparen daardoor de kosten van opslag. De snelweg is hun opslagplaats.”

De toenemende luchtvervuiling veroorzaakt juist in de kwetsbare alpengebieden snel milieuproblemen: vervuild water, zieke vegetatie en modderlawines. “Oostenrijk bestaat voornamelijk uit alpengebied. Het zal dus het snelst met die problemen geconfronteerd worden en maatregelen moeten nemen. Dat zou ook positieve consequenties kunnen hebben”, hoopt Schmidt. “Misschien ontstaat het besef dat we met onze huidige instelling - steeds sneller, steeds verder - op een doodlopend spoor zijn.” Helemaal gerust is zij echter niet. De verkeers- en milieuproblematiek vraagt om goede voorlichting en impopulaire maatregelen. “Als het vrachtverkeer voor de schade die het veroorzaakt, zou moeten opdraaien, zou het transport via de snelweg onbetaalbaar worden. Het hele probleem is dus een vruchtbare bodem voor populisme. Dat is ook een politiek probleem.”

Oostenrijk had net in 1992 een transitovereenkomst met Brussel afgesloten die zowel de luchtvervuiling als het lawaai aanpakte. Deze overeenkomst werd op 1 januari 1993 - een half jaar voor het referendum - van kracht. De regering beloofde dat het transitverdrag ook na de toetreding onveranderd van kracht zou blijven, maar dat was onmogelijk. Oostenrijk moest concessies doen, net als op het gebied van de milieuwetgeving. Er is een overgangsregeling afgesproken die vier jaar geldt, is, maar als in deze periode de strenge Oostenrijkse wetten door de overige lidstaten niet worden overgenomen, zal het land zich bij de lagere EU-standaards moeten neerleggen. Oostenrijk kan dan ook in de toekomst strengere eisen stellen aan bedrijven, maar riskeert daardoor als vestigingsplaats onaantrekkelijk te worden. Bovendien kan het de import niet tegenhouden van goederen die onder minder strenge milieu-eisen worden geproduceerd en dus goedkoper zijn. Dat zal een duidelijke verzwakking van de concurrentiepostie van Oostenrijkse bedrijven en landbouwproducenten tot gevolg hebben.

De regering probeert de zorgen over een dergelijke ontwikkeling weg te nemen. Ze wijst erop dat wie kwalitatief hoogwaardige en volgens strenge normen geproduceerde levensmiddelen wil kopen, alleen maar naar de Oostenrijkse artikelen hoeft te grijpen. Deze moeten immers aan hogere normen voldoen. Boeren en consumenten stelt deze verzekering geenszins gerust. Het is namelijk goed mogelijk dat door de instroom van bijvoorbeeld goedkope yoghurt, de duurdere van de markt zal verdwijnen. Nog afgezien van de mogelijkheid dat Oostenrijkse bedrijven ook zouden kunnen besluiten om de productie naar landen met lagere normen te verplaatsen.

Het zogenaamde wijnschandaal - in 1986 bleek wijn uit Niederösterreich en Burgenland met glycol gezoet - heeft tot een mentaliteitsverandering geleid. De Oostenrijkse boeren verlegden het accent van kwantiteit naar kwaliteit. De overheid heeft deze ontwikkeling krachtig gestimuleerd met strenge wetten en forse subsidies. Het gevolg is dat nu vijftig procent van de EU-bioboeren in Oostenrijk te vinden is. Door haar geografische ligging is de alpenrepubliek toch niet erg geschikt voor grootschalige industriële landbouw; de stap naar een biologische produktie was daardoor misschien makkelijker. Inmiddels staat twintig procent van de Oostenrijkse boeren als bioproducenten geregistreerd.

De Oostenrijkse consumenten hebben enthousiast op deze ontwikkeling gereageerd en waren bereid voor de kwalitatief hoogwaardigere levensmiddelen ook meer - in de regel 25 procent meer - te betalen. De eigenaar van de grootste Oostenrijkse supermarktketen, Billa, speelde meteen op deze nieuwe trend in. Hij sloot een contract met het bio-merk 'Ja! Natuurlijk' en zorgde er zo voor dat de consumenten in heel Oostenrijk bioprodukten in de supermarkt konden kopen. Daarnaast zijn er talloze boerenmarkten bij gekomen, waar boeren hun produkten zelf aanbieden.

Een andere populaire manier van inkopen doen is: direct bij de boer. Computerprogrammeur Eva Singer-Mesces geeft ondanks haar drukke baan en twee kinderen daar de voorkeur aan. “Je leert de mensen kennen, je ziet het vee rondlopen. Dat is leuk. Ik koop altijd een flinke voorraad en haal de rest in de supermarkt.” Hoewel zij zoveel mogelijk biologische produkten koopt, voelt zij zich in bio-winkels niet zo op haar gemak. ,De mensen zijn daar vaak zo fanatiek.” Was zij voor de aansluiting bij de EU? “Ja, maar om politieke redenen. Maar ik heb geen hoop meer dat het Oostenrijk wat het milieu betreft invloed op de andere lidstaten kan uitoefenen. Het blijkt dat uitsluitend economische belangen tellen. Maar isolationisme is geen oplossing. Globalisering brengt risico's met zich mee, maar provincialisme ook.”