Het bordeel van Azië

Ook wie de film Shanghai Triad van Zhang Yimou niet heeft gezien, herinnert zich wel de openingssequentie van Indiana Jones and the Temple of Doom en weet dus dat Shanghai tussen de beide Wereldoorlogen een baaierd was van misdaad en prostitutie. Wie de stad vriendelijk wilde karakteriseren sprak van 'het Parijs van het oosten' en wie onaardiger wilde zijn noemde haar'het bordeel van Azië'.

Zowel in China als daarbuiten was Shanghai berucht om zijn prostitutie. Niet de minste verdienste van de nieuwe machthebbers na 1949 was in de ogen van vrijwel alle Chinezen het feit dat deze overheid er in slaagde om in de loop van de jaren vijftig de prostitutie in Shanghai geheel uit te bannen.

Dat zoiets eerdere overheden niet was gelukt had zo zijn redenen. Shanghai was vanaf het midden van de negentiende eeuw niet alleen een internationale havenstad maar ook een snelgroeiend centrum van industrie met een sterk overschot aan mannen. Bovendien werd de stad bestuurd door drie verschillende gemeentebesturen met elk hun eigen territorium: de oude stad (onder Chineesbestuur), de Franse concessie (met een Frans bestuur), en de andere buitenlandse concessies, verenigd tot de internationale concessie (onder het bestuur van de Shanghai Municipal Council, waarin Britten en Amerikanen de overhand hadden). Elk van deze gemeentebesturen had zijn eigen normen en waarden, zodat van onderlinge samenwerking nauwelijks sprake was. Nam een van de gemeentebesturen al eens maatregelen tegen de uitwassen van prostitutie, dan verplaatste zich de bedrijfstak eenvoudigweg naar het domein van een van de twee andere gemeentebesturen.

De geschiedenis van de prostitutie in China is niet een onderwerp dat wetenschappelijk veel belangstelling heeft getrokken. De spectaculaire wederopstanding van de seksindustrie als maatschappelijk verschijnsel in de Chinese Volksrepubliek na 1978 heeft echter geleid tot een stroom van publicaties op dit gebied in China zelf en ook daarbuiten. Vrijwel gelijktijdig zijn nu twee uitvoerige studies verschenen over de prostitutie in Shanghai: Christian Henriot, Belles de Shanghai, Prostitution et sexualité en Chine aux xix-xx siècles (Parijs: CNRS Éditions, 1997) en Gail Hershatter, Dangerous Pleasures, Prostitution and Modernity in Twentieth-Century Shanghai (Berkeley: University of California Press, 1997). Het laatste boek besteedt, ondanks de titel, wel degelijk ook aandacht aan de prostitutie in Shanghai in de negentiende eeuw. En terwijl Henriot niet verder gaat dan 1949, besteedt zijn collega Hershatter ook uitvoerig aandacht aan decommunistische heropvoeding van prostituées in de jaren vijftig en aan de verschijningsvormen van de hedendaagse Chinese seksindustrie.

In beide boeken valt de nadruk echter op de eerste helft van deze eeuw en beide auteurs baseren zich voornamelijk op dezelfde bronnen. Ze worden beiden geconfronteerd met het probleem dat de prostituées zelf geen schriftelijke bronnen hebben nagelaten en hun klanten ook al heel weinig. Ze moeten het dus vooral stellen met archiefstukken, krantenartikelen en beschouwingen over prostitutie. Henriot en Hershatter beseffen beiden maar al te goed dat deze bronnen de werkelijkheid op eigen wijze vertekenen maar hun benadering is tegengesteld. Terwijl Henriot probeert door vergelijking van zijn bronnen de historische werkelijkheid voor zover mogelijk te reconstrueren, wordt Hershatter vooral geboeid door het discours van de verschillende groepen diezich uitlieten over prostitutie. Het resultaat is dan ook twee zeer verschillende monografieën die elk hun eigen bijdrage leveren aan onze kennis.

Henriot komt tot allerlei verrassende conclusies. Op basis van verschillende gegevens stelt hij vast dat vanaf het midden van de negentiende eeuw tot aan de jaren veertig van deze eeuw de verhouding tussen het aantal prostituées en de totale volwassen mannelijke bevolking van Shanghai vrijwel constant bleef (1:45). Hij verklaart de groeiende bezorgdheid binnen Shanghai over een toename van de prostitutie uit de voortschrijdende 'commercialisering' en 'seksualisering' van het verschijnsel. Terwijl in de negentiende eeuw de prostitutie zich vooral achter gesloten deuren afspeelde, gingen in de twintigste eeuw de meisjes immers massaal de straat op. En terwijl de ouderwetse courtisanes bleven volhouden dat ze vooral artistiek entertainment boden aan heren die verstoken waren van vrouwelijk gezelschap beperkten ook hun diensten zich meer en meer tot de betaalde liefde. Henriot schetst al met al een weinig rooskleurig beeld van het lot van de overgrote meerderheid van de prostituées. Hij besteedt ook meer aandacht dan Hershatter aan de groeiendeverwevenheid van prostitutie en georganiseerde misdaad in het interbellum.

Hershatter contrasteert vooral het diskoers van de traditionele literaten, die de lof zongen van de schoonheden en de talenten van de door hen gepatroniseerde courtisanes, met dat van de moderne intellectuelen, die in prostitutie een van de ziekteverschijnselen zagen van het eigentijdse China,een ziekte die het voortbestaan van de staat zelf in gevaar bracht. Tegelijkertijd is zij op zoek naar de mogelijkheden die vrouwen ook (of zelfs juist) in de prostitutie bezaten om zelf vorm te geven aan hun leven. Vandaar dat naast discourse ook agency een van haar sleutelwoorden is.

Door die aandacht voor de eigen 'agency' van vrouwen, laat haar boek een veel positievere indruk achter over het leven van de prostituées dan het werk van Henriot, ofschoon ze toch beiden bijvoorbeeld dezelfde schrikbarende cijfers over geslachtsziekten citeren. Henriot beklemtoont daarnaast het feit dat voor alle partijen die zich bezighielden met de heropvoeding van prostituées, of het nu ging om de protestantse zendelingen voor 1949 of de communisten na 1949, ondenkbaar was dat een vrouw alleen en zelfstandig door het leven zou gaan. Reïntegratie van de voormalige prostituées in de maatschappij was in de ogen van alle wereldverbeteraars slechts mogelijk als dochter of echtgenote, als gehoorzaam lid van een gezin.

Bij alle aandacht van Hershatter voor 'discourse' is het verbazingwekkend dat zij (evenals trouwens Henriot) zo weinig gebruik maakt van de overvloedige romanliteratuur over prostitutie in Shanghai. Vanaf de laatste jaren van de negentiende eeuw verscheen er een stroom van romans over Shanghai's demi monde. De schrijvers van deze romans konden dikwijls bogen op een ruime veldwerkervaring en zij lieten in hun werk niet alleen de klanten maar ook de meisjes uitvoerig aan het woord. Natuurlijk heeft elke romanschrijver zijn eigen vooringenomen standpunt, maar wanneer men zoals Hershatter vooral geïnteresseerd is in typische opvattingen en uitvoerig stilstaat bij het probleem dat ondergeschikten niet spreken zou het de moeite kunnen lonen om te rade te gaan bij diegenen die de ondergeschikten, in dit geval de prostituées, wel uitvoerig het woord gunnen.

Voor hun beschrijving van de prostitutie in Shanghai rond het midden van de negentiende eeuw verlaten zowel Henriot als Hershatter zich op de gedetailleerde memoires van Wang Tao (1828-1897). Wang Tao was in 1852 aangekomen in Shanghai, waar hij in dienst trad bij de Engelse zendeling-uitgever Medhurst, wiens Chinees-talige uitgaven hij redigeerde. In de jaren zestig assisteerde hij in Hongkong de Schotse zendeling James Legge bij diens vertalingen van de Chinese Klassieken in het Engels. Op uitnodiging van Legge kwam hij, met zijn privé-bibliotheek van duizenden delen, in 1868 naar Engeland, waar hij tot 1870 zou blijven. Na zijn terugkeer naar Hong Kong en China werd hij een van China's eerste moderne journalisten.

Zijn vele jaren van samenwerking met zendelingen brachten Wang Tao niet nader tot het Christendom, behalve dan dat hij het antipapisme van zijn broodheren deelde. Zijn leven lang bleef hij een groot liefhebber van vrouwelijk gezelschap, al dan niet betaald. Zijn uiterlijk had hij daarbij niet mee: 'Des te ouder hij werd, des te harder liep hij achter de vrouwen aan, terwijl hij allerminst een knappe verschijning was. Al op zijn vijfendertigste was hij bijziend en hij had een mond vol rotte tanden. Zijn gezicht was een en al rimpels en hij had bijna geen haar. Dan had hij ook nog een grote bierbuik en een lelijk smoel.' Wang Tao trok zich echter niets aan van kritiek en verdedigde zijn levenshouding met verve. Henriot en Hershatter konden zich ongetwijfeld geen betere gids wensen voor de rosse buurt van Shanghai en zijn bewoonsters dan deze wereldwijze literaat.

Ook tijdens zijn reizen door Europa had Wang Tao een scherp oog voor vrouwelijk schoon. Hij genoot met volle teugen van het nachtleven in Marseille en Parijs maar in Londen werd hij opgewacht door Legge, die zijn pappenheimer kende en hem zo spoedig mogelijk meenam naar Dollar in Clackmannanshire. Wanneer Wang Tao echter tijdens zijn korte verblijf in London in zijn eentje Chrystal Palace bezocht, greep hij zijn kans: 'Halverwege was een herberg. Achter de toog stond een allerknapst jong meisje. Telkens wanneer ik daar voorbij kwam, ging ik naar binnen om wat te drinken en het meisje stelde me dan allerlei vragen over China. Bij een van die gelegenheden stond naast haar een man met een lange baard. Dat bleek haar vader te zijn, een machinist op een locomotief.'