De herleving van de dood

Ooit was de Dood het belangrijkste onderwerp in de kunst van het avondland. In de eerste plaats natuurlijk de dood van Christus, die ook buiten de kunst beschouwd werd als de allerbelangrijkste gebeurtenis. De dood van een martelaar was een goede tweede, vooral als de voorstelling een altaar sierde waar eveneens een relikwie van de heilige in kwestie bewaard werd.

De combinatie - een afbeelding van de dood en een onvergankelijk relikwie - herinnert de toeschouwer eraan dat in het aardse bestaan maar één ding telt: de dood te slim af te zijn. Ieder uur dat wij op aarde leven is een uur dat aan de dood ontfutseld is, en na de dood willen we verder leven, hoe dan ook.

In het hiernamaals, in een reïncarnatie, in nakomelingen of nagelaten werk, in de herinnering van de nog levenden, in een genetische kloon, het geeft niet hoe. In de kunst. Van iemand die zijn portret laat maken, zeggen we dat hij zich laat vereeuwigen, van een groot schilder geldt dat hij onsterfelijk is. Niet alleen de dood van Christus en zijn heiligen, maar alle opmerkelijke manieren waarop iemand aan zijn einde komt waren geliefde onderwerpen in de kunst. Een fascinerend voorbeeld daarvan is het Cabinet de peintures, gedichten op schilderijen door de Franse Jezuïet Pierre Le Moyne (1650). Van de zeventien gedichten die niet over portretten gaan, hebben er twaalf iemands dood tot onderwerp: De broedermoord van Kain op Abel, Franciscus Xaverius die een dode tot leven wekt. Orfeus bespied door Maenaden die hem kort daarop levend zullen villen, Orfeus die zingt van de dood van Eurydice, Horatius die zijn zuster vermoordt, de zelfmoord van Lucretia, de begrafenis van Pompeius, de dood van Marcus Antonius, de zelfgekozen dood van Seneca en van Cleopatra, Mohammed II die zijn bijzit laat verbranden, de dood van Sappho. Elk van deze manieren van sterven en de levens die ermee werden beëindigd, hadden een eigen betekenis voor Le Moyne en voor de schilders van zijn tijd.

Het is lang geleden dat de dood als onderwerp op zichzelf al voldoende was om een beeldend kunstwerk een speciale betekenis te geven. (In tegenstelling tot de literatuur, het toneel en de film, waar dit verschijnsel nooit opgehouden heeft te bestaan.) De belangrijkste uitzondering in onze eeuw is Picasso's Guernica. Ik zou graag een ander schilderij uit de twintigste eeuw kunnen noemen dat zo overtuigend als catharsis dient voor de manier van doodgaan die ons allen beklemt en niet loslaat: massamoord.

Toch is er iets aan het veranderen. De dood van het individu begint weer terug te komen als onderwerp in de beeldende kunst. De Aids-epidemie was aanleiding tot het scheppen van een uitzonderlijk en waardig kunstwerk: een enorme quilt van vierkanten, stuk voor stuk gewijd aan een slachtoffer van deze ziekte, zelfgemaakt door vrienden of familieleden of in opdracht uitgevoerd. In dit geval is het juist de combinatie van de grote aantallen en individualiteit die tot de verbeelding spreekt.

De gevolgen van pogingen van beeldende kunstenaars om de dood een plaats te geven in een kunstwerk zijn vaak traumatisch. Phil Bloom kwam in conflict met de afdeling Anatomie van de Vrije Universiteit omdat ze de voorwaarden schond waaronder zij foto's had mogen maken van de lichamen van de overledenen op de snijzaal door deze tentoon te stellen. Toen de Universiteit daar bezwaar tegen maakte beriep ze zich op haar artistieke vrijheid, een zet waarmee ze steun verloor, en ook haar zaak. De opdracht werd teruggetrokken. De schilderijen van overledenen door andere kunstenaars, Jan Maarten Voskuil en Bas Sebes, werden door de VU wel geaccepteerd.

De Engelse beeldhouwer Anthony-Noel Kelly kwam met justitie in aanraking omdat hij afgietsels had gemaakt van lichaamsdelen die ontvreemd waren uit een snijzaal. Hij liet ze verzilveren en vergulden en zei dat hij daarmee 'de dood onsterfelijk maakte'. Ook die verdediging verschafte hem niet bepaald de sympathie van het publiek.

Drie dingen vallen me op: de aantrekkingskracht van de dood als onderwerp voor deze kunstenaars; het feit dat ze bereid zijn de wet te overtreden om aan materiaal te komen; de sterke negatieve reacties die ze teweegbrachten. Op het sollen met de dood rust nog een taboe die kennelijk door Bloom en Kelly is doorbroken. Hun ongemakkelijke pogingen staan niet op zichzelf. Damien Hirsts dierenkadavers en Andres Serrano's lijkenhuisfoto's passen ook in dezelfde stroom. De dood is weer een centraal thema aan het worden, een thema dat diepere maatschappelijke gevoelens raakt dan enig ander in de hedendaagse kunst.

Wat ons beeld van de dood betekent voor de wijze waarop wij leven, kan nauwelijks worden overschat. Het heeft onmetelijk veel meer invloed op ons gedrag dan ons beeld van God. Al ons morele besef, tot het verbod op moord en kannibalisme toe, moet wijken wanneer de dood dreigt, en iedereen heeft daar begrip voor. De richting waarin ons beeld van de dood aan het veranderen is, zou ons wel eens in een morele ijstijd kunnen doen belanden. Hoe groot is die kans? Zowel de diepvriesmethode als het klonen biedt de illusie dat een eeuwig leven binnen handbereik is. Hoeveel is het eeuwige leven de mens waard? Hoe gaat iemand om met de laatste barrière tussen hemzelf en de onsterfelijkheid? De antwoorden op deze vragen beginnen zo langzamerhand, ook binnen de kunst, vorm te krijgen.