Oud & nieuw op de geldmarkt

AMSTERDAM, 22 MEI. Vanaf morgen zal voor de Nederlandsche Bank (DNB) en de banken in ons land het nieuwe geldmarktinstrumentarium van kracht zijn. De laatste volle week onder het oude instrumentarium ging gepaard met een daling in de daggeldrente van 3 tot circa 2,25 procent. Dit hing samen met de resterende ruimte onder het contingent en heeft niets van doen met het nieuwe instrumentarium.

Een daling in de daggeldrente is niet ongebruikelijk bij een naderend contingentseinde. Banken benutten dan de rest van het toelaatbaar beroep bij DNB, omdat dit voor hen relatief goedkoop is. Het tarief, de voorschotrente, vormt in normale tijden immers de bodem van de daggeldrente.

De vraag is of onder het nieuwe geldmarktinstrumentarium aan het einde van de periode ook een dergelijk patroon in de geldmarktrente zal zijn te ontdekken. In het nieuwe systeem wordt de middelingsfunctie, waarmee banken liquiditeitsschokken kunnen opvangen, overgeheveld van de voorschotfaciliteit naar de kasreserve. Dat betekent dat de banken met ingang van vrijdag over een bepaalde periode (de eerste loopt tot 26 juni) per dag gemiddeld een bepaald kasreservebedrag (de omvang van de eerste verplichte kasreserve bedraagt 5 miljard gulden) moeten aanhouden bij DNB. De Duitse ervaring met een dergelijk kasreservesysteem is een aan het einde van de kasreserveperiodes dikwijls oplopende daggeldrente. Wanneer bij het naderende einde van de kasreserveperiode de banken de kasreserve-eis namelijk dreigen te missen, zullen ze extra moeten lenen op de geldmarkt om alsnog aan de verplichting te kunnen voldoen.

Of deze oplopende daggeldrentes ook het patroon voor de Nederlandse geldmarkt zullen gaan vormen, moet de komende kasreserveperiodes blijken. Wel is duidelijk dat de daggeldrente, net als in Duitsland, niet boven het tarief op de marginale voorschotfaciliteit zal komen. Voor Nederland is dit tarief vastgesteld op 4,5 procent, waarmee het overeenkomt met de vergelijkbare Duitse Lombardrente. Tegen dit tarief kunnen de banken te allen tijde een beroep doen op de marginale voorschotfaciliteit, bijvoorbeeld om de kasreserve aan het einde van de kasreserveperiode op het vereiste niveau te krijgen.

In de Weekstaat deden zich geen grote veranderingen voor. Het Pinksterweekend zorgde voor een toename in de bankbiljettencirculatie met 215 miljoen gulden. Daar stond een 188 miljoen gulden ruimere speciale belening tegenover. Verder leidden wisselkoersbewegingen, met name van de yen, tot opwaardering van DNB's deviezenvoorraad met bijna 300 miljoen gulden.

Bron: ING Economisch Bureau