Operator, operator!

Een telefoon dient om iemand te verbinden met iemand anders, die zich op dat moment elders bevindt. Het is dus een instrument dat eenzaamheid opheft, dat samenbrengt wat gescheiden is. Het merkwaardige is dat de telefoon in films nu juist vaker wordt gebruikt als symbool van isolement dan van contact.

Neem nu de klassieke, door Jean Cocteau geschreven eenacter La voix, bekend geworden als de helft van het film-tweeluik Amore (Roberto Rossellini, 1948). Het is een monoloog van Anna Magnani, waaruit valt af te leiden dat ze met haar ex-geliefde spreekt: je hoort en ziet hem niet, zodat de eenzaamheid van de belster, hartverscheurend lijdend in haar slaapkamer, door de armetierigheid van het telefoongesprek alleen maar wordt onderstreept.

Het is voor een filmmaker helemaal niet moeilijk ook de andere kant van de lijn in beeld te brengen: een eenvoudige kwestie van montage, of zelfs split screen. Maar ook dat helpt niet erg: de van beide kanten belichte telefoonseks in 06 (Theo van Gogh, 1994) is zichtbaar gebaseerd op leugens, want Ariane Schluter en Ad van Kempen geven elkaar een voor ons controleerbare onwaarachtige voorstelling van hun uiterlijk en bezigheden. De geestigste filmische verbeelding van de telefoonleugen bood Robert Altman in Short Cuts (1993). Jennifer Jason Leigh speelt daarin een ook al op 06-gebied bijklussende huisvrouw, die haar peuter te eten geeft terwijl ze een anonieme cliënt heel andere activiteiten voorspiegelt.

Het lijkt wel of de uitbreiding van de telecommunicatietechniek de mens in een steeds diepere existentiële eenzaamheid terugwerpt. Internetgebruikers zijn in films veelal loners, zoals Sandra Bullock in The Net (Irwin Winkler, 1995) die wordt versierd door een man die al haar voorkeuren kent door illegaal aftappen van informatie. In zijn Trois couleurs: rouge (1994) maakt Krzysztof Kieslowski van de gepensioneerde rechter Jean-Louis Trintignant ook al een luistervink; in de allereerste beelden van de film volgt de camera de telefoonkabels het huis uit, als een navelstreng met de rest van de wereld.

Ook de opmars van de mobiele telefonie maakt de wereld iets treuriger; zelden werd de absurditeit van permanente bereikbaarheid zo hilarisch bespot als in de recente komedie One Fine Day met Michelle Pfeiffer en George Clooney.

Toch was er een tijd (de telefoon is maar iets ouder dan de film) dat men zich op het witte doek voornamelijk verbaasde over de mogelijkheid om iemand aan de andere kant van de wereld te spreken te krijgen. We weten vooral uit films dat je vroeger alleen maar de hoorn van de haak hoefde te nemen en 'operator, operator!' te roepen, soms na een eenvoudig slingertje aan het eenvoudige apparaat. De telefoniste wist dan feilloos welk stekkertje ze in welk gaatje moest stoppen om de verbinding met meneer Jansen tot stand te brengen. Een enorm grote, rode telefoon was in de Koude Oorlog het symbool van de verbinding, die de wereld op het laatste moment van een nucleaire atoomoorlog zou kunnen redden. Er was iets magisch aan die hot line, die altijd open was, zodat zelfs de president van de Verenigde Staten en de partijleider van de Sovjet-Unie elkaar permanent konden oproepen, bijvoorbeeld in Dr. Strangelove (Stanley Kubrick, 1963).

De beroemdste telefoonfilm is misschien nog steeds Dial M for Murder (Alfred Hitchcock, 1954), destijds in Nederland uitgebracht onder de veelbetekenende titel U spreekt met uw moordenaar. Het was in de periode dat de grote massa juist begon te overwegen een eigen telefoonaansluiting te nemen. Zoals bij alle nieuwe uitvindingen (het Internet wordt, zoals bekend, vooral gebruikt voor kinderporno, commerciële televisie roept geweld op), belichtte de film vooral de griezelige kanten van het denkbeeld dat iedereen je zomaar thuis zou kunnen bellen: dus ook moordenaars. Hitchcock speelde briljant op die angsten in en leerde ons en passant dat je met een telefoonsnoer ook iemand kan wurgen.

Dat is nu het grote voordeel van de draadloze telefonie.