Kok voorop de Nederlandse tandem, Van Mierlo achterop

Bij het vorige Nederlandse voorzitterschap in 1991 lagen de toenmalige premier Lubbers en zijn minister van Buitenlandse Zaken, Van den Broek, geregeld overhoop. Nu bestaat er geen twijfel over de vraag wie de baas is: premier Kok. Als het moet, plakt hij onhandige ministers een pleister op de mond.

DEN HAAG, 22 MEI. Begin januari, Nederland had het roulerende voorzitterschap in de Europese Unie een paar dagen daarvoor op zich genomen, ontving premier Wim Kok zijn toenmalige Britse collega, John Major. De heren hadden drie weken eerder, op de EU-Top in Dublin, al zoiets afgesproken. Ze hadden veel te bespreken, gegeven het Euroscepticisme in Majors partij en de nog niet op een datum vastgelegde maar toch snel naderende Britse verkiezingen.

Duidelijk werd meteen dat de als 'Europeaan' ervaren Kok, die als minister van Financiën medeverantwoordelijk was voor het Verdrag van Maastricht, direct naar de eerste rij zou schuiven als hij dat nuttig of nodig achtte. En dat zijn ministers Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) of Zalm (Financiën) in zulke gevallen achterop de Haagse tandem zouden moeten zitten. Zoals Van Mierlo merkte toen kanselier Kohl in het Catshuis langs kwam (“néé, geen soldaten naar Albanië”). Of toen hij begin maart met Kok in het Kremlin, bij Jeltsin, op bezoek was. Desnoods plakt Kok een minister zelfs even een pleister op de mond, zoals Zalm overkwam nadat hij zich openlijk had laten ontvallen dat hij landen als Italië en Spanje weinig kans gaf om zich te kwalificeren voor de voorhoede van de Europese Muntunie. De echo's die daarop volgden gaven ook weer dat het EMU-dossier, de voor 2.002 geplande Euro, weliswaar niet behoort tot het onderhandelingspakket voor 'Amsterdam', maar voor de EU-landen en hun bevolkingen toch nu al het allerbelangrijkste is.

Er werden die vroege januaridag in Den Haag na Majors bezoek nog een paar dingen duidelijk(er). De weg naar een substantiële hervorming van de Unie, en een overeenkomstig inhoudsvol Verdrag van Amsterdam in juni, zou mede door een stevige Britse Conservatieve voet op de rem moeilijk worden. Bovendien: tot aan de verkiezingsdag zou er nauwelijks echt met Londen zijn te onderhandelen over de EU-hervorming. Wat op zichzelf weer betekende dat er een risico van grote tijdnood aan zat te komen. Want, die conclusie werd in januari al getrokken, alvast zoveel mogelijk zaken doen met de andere EU-partners was te riskant. Dat zou immers meebrengen dat er over eventueel bereikte, en dan “onveranderbare” compromissen na de Britse verkiezingen namens 14 EU-staten nóg eens (met Londen) zou moeten worden onderhandeld. Dat zou een ongewone én kansloze procedure zijn geworden.

Kortom: vrijwel direct stond vast dat het Nederlandse voorzitterschap niet alleen, zoals het zelf al had aangekondigd, veel voorzichtiger met eigen opvattingen zou omgaan dan in '91, toen Nederland op een 'Zwarte Maandag' de pin op de ambitieuze neus gedrukt kreeg. Nee, dit keer stond ook vast dat alle onderhandelingen maandenlang extra behoedzaam en vooral inventariserend zouden moeten zijn.

Het moest dus wel voetje voor voetje gaan. Eerst de ambtenaren en diplomaten, dan - na een maand of wat, zoals nu - wat meer de ministers. En uiteindelijk, nu er een nieuwe Britse Labour-regering zit en - tweede verrassing - de vervroegde Franse parlementsverkiezingen dadelijk achter de rug zijn, de finale ronde van de regeringschefs, met de Amsterdamse Top zelf waarschijnlijk als beslissende fase. Want zoveel was en is zeker: dan pas, op het hoogste politieke niveau en onder de grootste tijdsdruk, kunnen de belangrijkste of moeilijkste dossiers goed op hun eindwaarde en hun uitruilfunctie worden geschat. Voor die tijd mogen die dossiers op lager niveau als het ware nog niet worden 'afgeconcludeerd'. Want dan zouden ze hun waarde voor het finale concessieverkeer verliezen én de hoogste chefs beroven van hun politieke primaat. Wat dat betreft hebben alle sombere bespiegelingen over een magere inhoud van het Verdrag van Amsterdam nu nog een voorwaardelijk karakter. Wat niet wil zeggen dat ze straks ook onjuist zullen blijken.

Anders dan zes jaar geleden, toen Lubbers en zijn geestverwante minister van Buitenlandse Zaken (de huidige Eurocommissaris Van den Broek) nog gevoelige competentietwisten hadden, is de hoofdrol van Kok op de tandem met Van Mierlo onbetwist. De tijden zijn veranderd en het gewichtsverschil tussen Kok en de (nog) eerste man van D66 is fiks. Daarbij komt dat Van Mierlo's aankondiging dat hij straks niet meer beschikbaar is als lijsttrekker, gevolgd door een pijnlijke speurtocht naar iemand die dat wel wil zijn, zijn gewicht in het kabinet niet heeft vergroot. Dat Van Mierlo na de verkiezingen volgend jaar kan aanblijven op zijn departement, zoals hij zegt te willen, lijkt trouwens op een boodschap voor goedgelovigen. Zijn ministerschap wordt tot nu toe niet als groot succes gezien, al is het ook niet zó mis als sommigen het doen voorkomen, en de electorale perspectieven van zijn partij zijn matig. Zou D66 volgend jaar, wanneer de kiezers hebben toegeslagen, weer mogen meeregeren? En, zo ja, weer met drie ministers? En, zo niet met drie, zou de nieuwe chef van de Democraten dan één van twee ministersposten, en ook nog die van Buitenlandse Zaken, aan de dan 67-jarige Van Mierlo (kunnen) gunnen? Het is onwaarschijnlijk.

Er is voor de verhouding tussen Kok en Van Mierlo, en die tussen de PvdA en D66, nog een punt dat telt. Namelijk dat Koks grote electorale tegenspeler, nu en straks, Frits Bolkestein, fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer, is. Bolkestein mag de leus 'de regering regeert, de Kamer controleert' dan geregeld voorin de mond hebben, hij is toch, zoals de ARP'er Barend Biesheuvel 30 jaar geleden, een heel energieke schutter voor de boeg van het kabinet. Al blijken zijn schoten, net als ooit bij de latere premier Biesheuvel, uiteindelijk nog wel eens losse flodders te zijn geweest. Maar goed, de publicitaire knallen zijn dan gehoord.

Na de Labour-overwinning in Groot-Brittannië op 1 mei is de toon uit Londen wat vriendelijker is geworden maar de insulaire reserves zijn gebleven. Dat hebben Kok en Van Mierlo anderhalve week geleden kunnen vaststellen bij een bezoek aan hun nieuwe collega's Tony Blair en Robin Cook. Daarmee was inzake de Britse positie, en haar handicapwaarde voor de hervorming van de Unie, voor de tweede keer iets duidelijk(er) geworden. Kok wist eens te meer dat het a hell of a job wordt om een substantieel Verdrag van Amsterdam op tafel te krijgen.

Nederland staat op een jaar van de volgende Kamerverkiezingen; de vraag of 'Amsterdam' een succes wordt telt voor alle hoofdpersonen ook om die reden zwaar. De VVD kan zich aardig wat kan veroorloven als regeringspartij doordat het oppositionele CDA de regering als EU-voorzitter toch wel steunt. Bolkestein is Van Mierlo deze week alvast plagerig gaan verwijten dat hij een “romantische visie” heeft en maar een voorbeeld moet nemen aan zijn nieuwe Labour-collega, die het Britse belang in de EU op de eerste, de tweede en de derde plaats zet. Het sauve qui peut, zou dat echt de beste vertaling van 'Europese integratie' zijn? Ongeacht, bijvoorbeeld, het 'hogere belang' van de Duitse inbedding in Europa? Is Van Mierlo in dit verhaal de kleine Johannes? De VVD-leider dan een dr. Pluizer die alleen angelsaksische kranten leest? Of gaat het mede om de permanente demontage van Van Mierlo en zijn partij, die volgend jaar haar electorale vruchten moet afwerpen?

Eergisteren stelde Bolkestein alvast, twee dagen voor de informele EU-Top in Noordwijk, en natuurlijk min of meer ultimatief, eisen waaraan het Verdrag van Amsterdam zal moeten voldoen. Zoals: Nederland mag andere landen aangaande de besluitvorming op het terrein van het buitenlands beleid dan wel proberen te bewegen af te zien van het vetorecht, maar het moet daaraan zelf vasthouden. En: Nederland moet stáán op één landgenoot in de Europese Commissie en mag geen achteruitgang aanvaarden bij de nieuwe verdeling van het stemmengewicht per land in de Europese ministerraad, waarop vooral de grote landen aandringen, die zich gezien hun inwonertal en gewicht onderbedeeld voelen. Op het gebied van het buitenlands beleid (GBVB) zou de Nederlandse EU-voorzitter vaker met meerderheidsbesluiten willen werken, met een recht op 'constructieve onthouding' voor landen met een afwijkende opvatting. De Brit Cook deze week: “Daarover willen we wel nadenken, maar duidelijk moet zijn dat geen enkel land zich in zijn buitenlandse politiek laat overstemmen.”

In de EU-ministerraad hebben de vier grote landen elk 10 van de 87 stemmen, Spanje 8, België, Griekenland, Nederland en Portugal elk 5, Oostenrijk en Zweden elk 4, Finland, Denemarken en Ierland elk 3 en Luxemburg 2. Voor een blokkerende minderheid zijn bij meerderheidsbesluiten 26 stemmen genoeg. Hoe gewichtig dat is blijkt bijvoorbeeld daaruit dat een gelegenheidscoalitie van landen die zelf niet voldoen aan de eisen voor de Muntunie, zeg Griekenland, Italië, Spanje, Portugal (samen 28 stemmen) de toetreding van andere landen kunnen blokkeren. Inzake de bepaling van een nieuwe (kleinere) omvang van de Europese Commissie, waarin de grote landen en Spanje nu elk twee leden hebben en de andere één, zijn ook grote onopgeloste gevoeligheden blijven bestaan. Die gevoeligheden vormen morgen in Noordwijk, en volgende maand in Amsterdam, met het taaie vraagstuk van de besluitvorming (meerderheid tegen vetorecht) en een zekere integratie van de Westeuropese Unie in de EU zo'n beetje de hoofdschotel in het menu dat Kok en Van Mierlo moeten serveren. Wat zullen ze blij geweest zijn dat Bolkestein uit zijn eigen keuken nog even met peper en zout langs kwam.

Van Mierlo's afscheid als lijsttrekker heeft zijn gewicht in het kabinet verminderd