Deep Blue

'DUS COMPUTERS zijn nu intelligenter dan de mens?' was de onvermijdelijke vraag van de journaalverslaggever op de avond nadat Gary Kasparov in de schaakmatch tegen IBM's Deep Blue het verwilderde hoofd in de schoot had gelegd.

Je kunt dat zo'n verslaggever niet echt kwalijk nemen. Je wilt immers dicht bij het volk blijven, en dan moet je meer Story in je stijl strooien dan KIJK. Hij stelde zijn vraag aan een echte IBM-deskundige (bril, blazer, betrouwbaar kapsel), die, leunend op het kastje 'waarmee het allemaal gebeurd was', schaapachtig glimlachend wat onduidelijks mompelde. Daardoor aangemoedigd vroeg hij het ook nog aan een echte schaker, Hans Böhm, en die dacht, al zei hij het niet met zoveel woorden, eigenlijk van wel. 'Tja', zei hij, 'de mens, die kan zich maar beter gaan richten op die dingen waar hij beter in is dan de computer, en dan kom je toch al gauw uit bij liefde en begrip en zo.' Daarmee had het journaal twee mythen opnieuw onuitroeibaar in de volksziel verankerd: dat een computer een kastje vol draden is, en dat computers intelligent zijn. Maar het had er tevens één genadeloos ontmaskerd: van schaken word je niet intelligenter.

Dat laatste geldt evengoed voor computers als voor mensen. Deep Blue doet niets anders dan de eerste de beste Nintendo: slaafs volgens voorschrift de binnenkomende gegevens bewerken, en het resultaat daarvan uitspugen. Pulsjes in, pulsjes uit, anders niks. Dat er ergens aan een schaaktafeltje iemand zijn haren uit zijn hoofd zit te trekken laat het ding ijskoud. Knappe of onzinnige zetten maken niet uit, Deep Blue gaat ze allemaal met dezelfde ijver te lijf. Hoogstens zal het rekenwerk bij een rare zet iets langer duren, omdat er meer voortzettingen die eerder al als onwaarschijnlijk terzijde waren geschoven, toch moeten worden doorgerekend. Je kunt dan roepen dat de computer 'verrast' is, maar dat is hetzelfde als roepen dat je auto verrast is als je plotseling zo hard aan het stuur rukt dat hij in een slip raakt.

Dat juist het schaakspel vanaf de beginjaren van de computer een geliefd doelwit van fabrikanten van hardware en software is geweest, is geen toeval. Aan de ene kant is schaken aantrekkelijk vanwege de mystiek eromheen. Als er één groep is die zijn PR goed gedaan heeft, dan zijn het wel de verzamelde schaakfanaten van deze wereld. Schaken heeft een welhaast onaantastbaar prestige. Het is niet alleen het meest 'salonfähige' spel dat er bestaat, er worden ook wonderbaarlijke heilzame eigenschappen aan toegedicht. Vooraanstaande mensen binnen de schaakbond willen schaken zelfs als schoolvak invoeren. Wie dus een computer kan leren schaken, is verzekerd van de peilloze bewondering van vrijwel iedereen. En wie zegt daar nu nee tegen?

Tegelijkertijd is schaken niets anders dan een ingewikkelde vorm van boter, kaas en eieren. Er is, net als bij dat flauwe spelletje, een eindig aantal velden (65: 32 witte, 32 zwarte, en 1 'van het bord af'), en een eindig aantal stukken, die elk vanaf elk veld een eindig aantal bewegingen kunnen uitvoeren. Er is dus een eindig aantal mogelijke bordstanden, waarvan sommige 'gewonnen' betekenen, andere 'remise', en weer andere 'kan nog van alles worden'. Net als bij boter, kaas en eieren zou je in principe alle paden, alle opeenvolgende reeksen bordstanden, kunnen uitrekenen die eindigen met een gewonnen of remisestand. Als je de circulariteiten uitfiltert, is ook dat aantal paden eindig, evenals hun lengte. Je kunt het schaakspel dus compleet uitrekenen. Mocht daarbij blijken dat er, net als bij boter, kaas en eieren, paden bestaan die, ongeacht wat de tegenstander doet, altijd in een gewonnen stand eindigen, dan is het schaakspel dood. Wit wint dan altijd, met hetzelfde gemak waarmee wij kleine neefjes met kruisjes en cirkeltjes verpletteren.

Grote aantallen gegevens doorrekenen en onthouden, dat is precies waar computers uitstekend in zijn, en mensen juist slecht. Dat verschil maakt schaken voor zowel schakers als programmeurs zo aantrekkelijk. Juist omdat het aantal paden veel groter is dan wij kunnen onthouden, komt aan schaken intelligent gedrag te pas: inschatten wat op een bepaald moment de kansrijkste voortzettingen zijn zonder de hele route te kennen, je inleven in de gedachtengang van de tegenstander, zijn plannen, zijn zwakke plekken en zijn irritaties herkennen. Omgekeerd kan een beter met paden gevuld geheugen een gebrek aan intelligent gedrag meer dan goedmaken. Beroepsschakers studeren zich niet voor niets een rotje op oude partijen. Sterker nog, binnen een gesloten en berekenbaar systeem als schaken wint geheugen het uiteindelijk altijd van intelligentie. Intelligentie speelt met kansen, geheugen met zekerheden.

Dat is ook de reden dat schaakcomputers steeds beter worden. De snelle machines en slim ontworpen programma's van nu kunnen binnen redelijke tijden zoveel voortzettingen zoveel dieper doorrekenen dan zelfs de beste menselijke tegenstander, dat het gemis aan intelligentie ruimschoots gecompenseerd wordt. De schaakcomputer met een uitputtende lijst van paden en bordstanden bestaat nog niet, maar wel kunnen ze door hun rekenkracht al beter de kansrijkste voortzetting kiezen. Daar komt uiteraard wel enig inzicht aan te pas, maar dat is het inzicht van de programmeur. Verder kan de schaakcomputer niets. Niet bluffen, niet gokken, niet eens iets nieuws proberen, al was het maar om de tegenstander in verwarring te brengen. Kasparov kon tegenover Deep Blue rustig zijn wanhoop en verbijstering laten blijken, voor het spel van de computer maakte dat absoluut niets uit. Was Deep Blue een mens geweest, dan had Kasparov al die openheid wel uit zijn hoofd gelaten. Tegen de schaakcomputer delft uiteindelijk ook de inventiefste en listigste menselijke schaker gegarandeerd het onderspit. Dat zegt niets over de intelligentie van mens of computer, de computer zal zelfs beter gaan schaken naarmate zijn programma suffer kan worden omdat zijn geheugen voller raakt. Echt schaken blijft iets voor mensen onder elkaar. Wie dat niet genoeg vindt, kan zich altijd nog op liefde en begrip storten. Daar is nog wel behoefte aan.