Kinderen hebben het recht te weten wie hun vader is

De rechten van vrouwen die samen een kind opvoeden worden binnenkort geregeld. Maar hoe zit het met de rechten van kinderen van 'mee-moeders' en draagmoeders, vraagt René Hoksbergen zich af.

Opnieuw wordt er in de politiek heftig gediscussieerd over uitbreiding van adoptiemogelijkheden. In NRC Handelsblad van 13 mei wordt melding gemaakt van het verlangen van de regeringsfracties PvdA en D66 om de juridische status van de zogenaamde mee-moeders of duo-moeders beter te regelen.

Duo-moederschap ontstaat wanneer twee vrouwen, meestal in een lesbische relatie samenwonend, via een mannelijke relatie of een zaaddonor een kind krijgen. Eén van de twee vrouwen wordt zwanger, maar beide vrouwen vervullen de moederrol. Het komt ook voor dat eerst de ene vrouw zich laat insemineren en voor een tweede kind de andere vrouw. Er kan door de vrouwen gepleit worden voor dezelfde donor, maar dit is niet altijd mogelijk.

Hoe je ook over het ontstaan van gezinnen denkt waar een biologische of sociale vader bij voorbaat ontbreekt zodat de kinderen zonder vader moeten opgroeien, het is een maatschappelijk gegeven dat dit in enkele duizenden gezinnen het geval is. De juridische status van de mee-moeder moet daarom optimaal worden geregeld in het belang van het kind. Het zou te betreuren zijn als de mee-moeder, bijvoorbeeld bij scheiding, geen omgangsrecht heeft met het kind met wie ze een goede relatie heeft opgebouwd. Of dat zij bij het overlijden van de biologische moeder niet automatisch het recht op verzorging krijgt.

Eenzelfde probleem hebben trouwens de zogenaamde mee-vaders. Het aantal mee-vaders is nog gering. Ze hebben nu eenmaal een derde partij, een bevriende vrouw of een draagmoeder nodig en daarvoor lenen zich nog heel weinig vrouwen. Maar als commercieel draagmoederschap in ons land niet langer strafbaar zou zijn, verandert dit hoogstwaarschijnlijk. In het belang van het kind is het overigens dringend af te raden om op enigerlei wijze draagmoederschap te bevorderen.

Uit onderzoek is bekend dat er tijdens de zwangerschap een relatie ontstaat tussen moeder en kind. Om die reden komen nogal wat draagmoeders terug op hun besluit of hebben zij er later spijt van afstand te hebben gedaan van het kind. De Britse draagmoeder voor het Nederlandse echtpaar die op dit moment voor nogal wat opschudding in de pers zorgt, is ook teruggekomen op haar besluit, al loopt zij zo een forse betaling mis.

Een kind van een draagmoeder kan pas later terugkomen op zijn ontstaanssituatie. Velen blijken dan te willen weten van wie zij afstammen, wie hun moeder is.

Het welzijn van het kind is een essentieel punt. De zelfwaardering van een mens wordt sterk beïnvloed door zijn oordeel over zijn biologische achtergrond, zijn ontstaansgeschiedenis, zijn mate van gewenst zijn door zijn ouders. De geschiedenis van veel adoptiekinderen en televisieprogramma's als Spoorloos leren ons dat kinderen die bij andere ouders dan hun biologische opgroeien, daar in meer of mindere mate mee worstelen. Zo'n worsteling kan een leven lang duren wanneer er tenminste geen antwoord komt op de vragen over hun achtergrond. De rechtszaken van een vijftal vrouwen/mannen tegen nota bene hun biologische moeder die niet de identiteit van hun vader wil prijsgeven, geven aan hoe intensief en pijnlijk dit kan verlopen.

Wanneer nu de juridische status van mee-moeders wordt geregeld is het dus minstens zo belangrijk de juridische situatie van het kind te regelen. Ik doel hier met name op het recht van het kind te weten wie zijn biologische vader is. Daaromtrent is nu wettelijk niets geregeld. Opnieuw kijken de PvdA en D66 eenzijdig naar het belang van de volwassenen, in dit geval de mee-moeders. Terecht wordt gepleit voor een versterking van de juridische status van de mee-moeder, maar waarom wordt er helemaal niet gesproken over het belang van het kind? Dat hij wil weten wie zijn vader is, is toch niet nieuw in onze samenleving?

Denkt men dat de mee-moeder de vader geheel kan vervangen? De voorbeelden van de duizenden vrouwen zowel als mannen, de meesten opgegroeid in gezinnen met een biologische moeder en een sociale vader, die over de gehele wereld op zoek zijn naar hun biologische vader, moet hen toch uit die droom helpen. Deze mensen hebben een vader gehad en bijna altijd een vader voor wie het kind voluit gewenst was. Toch zijn ze naar hun biologische vader op zoek gegaan omdat deze met hun identiteit te maken heeft.

Een stabiele identiteit wordt gevormd door een aantal schakels. Een daarvan is weten dat je een gewenst kind bent. Kinderen in lesbische gezinnen zijn bijna altijd gewenste kinderen. Een andere schakel is weten van wie je afstamt. Dit helpt je om jezelf beter te begrijpen. Te begrijpen van wie je welke voor jou belangrijke kenmerken hebt. Op wie je lijkt, van wie je bepaalde eigenschappen en talenten hebt. Deze schakel ontbreekt vaak bij kinderen van lesbische moeders. Als zij ouder worden, en bij sommigen begint de onwetendheid over de achtergrond al op zes- tot achtjarige leeftijd te knagen, gaan zij op zoek naar antwoorden. Als zij die niet kunnen krijgen kan dat leiden tot heftige frustraties. Voor hun welzijn is dat uiteraard volstrekt ongewenst en voor moeders en mee-moeders is het ook verdrietig om aan te zien.

Het is nu aan de politiek om te tonen dat men echt in het belang van het kind wil handelen. Het is in zijn belang om de juridische status van bijzondere gezinnen meer body te geven. Dan kan de sociale omgeving deze gezinsvormen misschien ook wat makkelijker aanvaarden. Zo'n acceptatie wordt naar mijn mening bevorderd wanneer de genetische situatie van het kind volledig wordt erkend. Met name wanneer de biologische vader niet voor het kind wordt verdonkeremaand en hij een duidelijk juridische status krijgt.

Donorvaders die als jongeman meenden er goed aan te doen in de anonimiteit te verdwijnen, kunnen trouwens tien, twintig jaar later gaan inzien dat hun kind behoefte aan informatie heeft. Zij kunnen dan alsnog bereid zijn om deze ook te geven en om contact te hebben met hun nakomeling(en).

Dit alles vraagt om een centrale registratie van donorgegevens, met een bewaartermijn van bijvoorbeeld honderd jaar. Thans zijn de gegevens over de verschillende ziekenhuizen verspreid en worden zij vaak na vijf of tien jaar vernietigd. Via een centraal systeem zou een kind, wanneer het daar aan toe is, schriftelijk informatie over zijn donor moeten kunnen krijgen. Deze donor kan gevraagd worden of hij op verzoek contact wil hebben. Zoals gezegd kan zijn bereidheid in de loop van de tijd veranderen.

Dit systeem lost niet het probleem op van de vroegere anonieme donoren wier gegevens vernietigd zijn. Hiervoor zou men, naar analogie van het Amerikaanse systeem, kunnen denken aan een centraal register waar zowel donoren die 'gevonden' willen worden, als donorkinderen die willen 'vinden' zich kunnen inschrijven. Met de toenemende automatisering van het DNA-onderzoek, zal het in de toekomst mogelijk zijn de profielen van vader en kind eenvoudig bij elkaar te plaatsen.

De samenleving moet zorgen voor een gelijke behandeling van al haar leden. Dit is in wezen wat met alle anti-discriminatiemaatregelen en de emancipatiebewegingen wordt nagestreefd. Laten wij daarom tevens zorgen voor het doen verdwijnen van de feitelijke discriminatie van donorkinderen en hun recht op kennis over hun afstamming serieus nemen. Dat is de emancipatie van deze groep mensen. Tegelijk met een grondwetswijziging waarmee het huwelijk van twee personen van hetzelfde geslacht mogelijk wordt, kan in de grondwet worden opgenomen dat het een fundamenteel mensenrecht is dat elke mens kennis kan verkrijgen van zijn genetische achtergrond.