Je moet het met je handen laten zien; Violist Jaap van Zweden begint aan zijn dirigentencarrière

De violist Jaap van Zweden speelt volgende week vrijdag zijn laatste concert bij het Concertgebouworkest, waar hij zeventien jaar concertmeester is geweest. Van Zweden (36) gaat zich vooral toeleggen op het dirigeren, waarmee hij de afgelopen jaren een succesvol begin heeft gemaakt.

Met de Stradivarius achterin de kofferbak, zoeven we door de ochtendspits in de Jaguar XK8 naar Eindhoven, waar Jaap van Zweden het Brabants Orkest gaat dirigeren in Schubert en Brahms. Tussen de repetitie en het concert wil hij 's middags op zijn hotelkamer nog op de Stradivarius studeren. Want al zal Van Zweden binnenkort na zeventien jaar definitief zijn plaats als concertmeester van het Koninklijk Concertgebouworkest verlaten om veel vaker te kunnen dirigeren, hij blijft een violist.

Zijn Porsche is gestolen en vernield teruggevonden. Het liefhebbersplezier was weg en de auto is afgedankt. De Jaguar die hij nu heeft, is van het knusse, sportieve type, maar rijdt geruisloos. Bernard Haitink beschreef jaren geleden de stilte binnen zíjn Jaguar door op te merken dat je het klokje kon horen tikken. “Nu is ook nog het klokje geruisloos gemaakt”, zegt Van Zweden. Als we even niet praten, wat zelden het geval is, zet Van Zweden telkens een cd op met Frank Sinatra. Terwijl Van Zweden uitvoerig de frasering en dictie van de zanger prijst, zingt Sinatra All the way.

Van Zweden, die slechts twee jaar geleden begon aan een serieuze dirigentencarrère, vertelt enthousiast over zijn plannen. Het Orkest van het Oosten, waar hij binnenkort de chef-dirigent wordt, duidt hij steeds aan met 'mijn orkest'. Met zijn orkest maakt hij tournee's van 18 concerten naar Engeland en van 20 concerten door de Verenigde Staten. Een van de concerten vindt plaats in de beroemde Carnegie Hall in New York. In 1998 leidt hij de Matthäus Passion, het jaar daarop dirigeert hij bij de Nationale Reisopera Mozarts Così fan tutte.

Verder gaat Van Zweden als gastdirigent naar St. Louis en naar Milaan, waar hij een concert in het Verdi Conservatorium leidt. Elke week komen er optredens bij, er zijn al afspraken gemaakt voor het jaar 2003. Bij het Orkest van het Oosten wil hij een complete Mahlercyclus dirigeren, ook de massaal bezette Achtste, de 'Symphonie der Tausend'. Van Zweden zal het met minder uitvoerenden moeten doen, want zoveel kunnen er lang niet op het podium van het Muziekcentrum in Enschede.

Verder gaat het gesprek over orkesten, dirigenten, dirigeren en het Concertgebouworkest. “Bernard Haitink, die me op mijn negentiende als concertmeester bij het orkest heeft gevraagd, is ook na zoveel jaar Riccardo Chailly nog steeds mijn 'chef', mijn chef voor het leven. Het is jammer dat het tussen Haitink en het orkest op het laatst zo moeilijk is gegaan. Ook als concertmeester wist ik niet precies hoe dat kwam. Hij leek wat autistisch, hij zei nooit duidelijk wat hij wilde. En dan gaan andere mensen het woord voor je doen.”

Nikolaus Harnoncourt is met zijn compromisloze inzet erg belangrijk geweest voor Van Zweden, zegt hij, ook al heeft hij geen slagtechniek. “Na zoveel jaar zet het orkest de muziek zelf onder elkaar. Zelf wil ik wel goed slaan en ik heb ook directieles genomen. Je kan bij repetities wel veel kwekken, maar op een concert heeft een orkest daar niks aan. Je moet het met je handen laten zien. Harnoncourt heeft zijn dirigentencarrière langzaam opgebouwd vanuit de barokmuziek. Daar heb ik geen tijd voor. Mijn allereerste concert was meteen in de Berlijnse Philharmonie en het was meteen Brahms, het Tweede pianoconcert.

“Die zeventien jaar in het Concertgebouworkest hebben mij gevormd. Als ik daar niet had gezeten, was ik solist geweest en had ik nu hier en daar gespeeld. Ik wil solisten niet beledigen, maar dat had ik toch voor mij heel treurig gevonden. Ik heb in het orkest zo'n rijke opvoeding gehad. Het was een masterclass dirigeren, zeventien jaar lang, met de allerbeste dirigenten.”

In het Eindhovense Muziekcentrum Frits Philips leidt Van Zweden, die hier vaste gastdirigent is, bij het Brabants Orkest nog een laatste extra lange repetitie voor het concert van vanavond. Het hele programma wordt nog eens doorgespeeld. In Schuberts Unvollendete werkt Van Zweden effectief en alert. Hij let op alles tegelijk met een enthousiasmerende vriendelijkheid, die tegelijkertijd autoriteit uitstraalt. De zuiverheid moet stipt in orde zijn. Ook als een eerder gemaakt afspraak door het orkest niet wordt nagekomen ontgaan hem dat niet. “Hier zouden we een accent geven.” Hij werkt aan de balans en de dramatiek. Een enkele blazerspassage moet vaak over, voordat Van Zweden eindelijk zijn zin heeft.

De sfeer is collegiaal. Een altviolist heeft een voorstel voor een andere frasering. Van Zweden is niet overtuigd, maar zegt: “Het was nu goed, maar ik geef u één kans.' Als blijkt dat het op een andere manier óók heel goed kan, roept hij 'Geslaagd!' terwijl er wordt verder gespeeld. Na Schuberts Rondo voor viool en strijkers met Theodora Greaets als soliste, gaat nog Brahms' Eerste symfonie, die Van Zweden eerder al met zijn 'eigen' Orkest van het Oosten speelde.

Amsterdamse klank

Is het suggestie of klinkt er werkelijk een beetje van dat warm-ruisende Concertgebouworkest, als Van Zweden voor het Brabants Orkest staat? Van Zweden zelf zegt achteraf dat hij daar niet bewust aan werkt en dat hij vooral de verschillen hoort. “Bij het Concertgebouworkest gaan in zo'n passage bij Schubert de strijkers automatisch met de blazers mee, hier blijft zo'n begeleiding vooral een oefening.

“Natuurlijk breng ik de Amsterdamse speelcultuur mee, al ga ik vooral uit van van de kracht van het orkest zelf. Er zitten hier heel goede individuele spelers, zoals de hoornist Theo Schoonbrood en de fluitist Raymond Delnoye. Ze willen serieus worden genomen. Ik laat ook niets over mijn kant gaan, anders krijg je Brahms-stamppot.”

Toch lijkt iets van die beroemde en vertrouwde Amsterdamse klank nu toch hoorbaar: 'a touch of class' in Eindhoven. Een Brabantse violist prijst niet alleen de prettige en serieuze aanpak van Van Zweden, maar ook het werken aan de klank op basis van zijn ervaring met musiceren op het hoogste niveau: “We nemen zo een kijkje bij het Concertgebouworkest. Van Zweden vertelt wat Chailly doet, hoe Giulini reageert, wat Harnoncourt vindt, hoe Solti het wil hebben en wat hij er zelf van vindt.”

Tijdens de lunch na de repetitie kijkt Van Zweden nog voor het concert al tevreden terug op deze week. Het was de eerste keer dat hij voor het Brabants Orkest stond na een hoog opgelopen conflict over zijn benoeming tot vaste gastdirigent. Het orkestbestuur en de interimdirecteur boden hem vorig jaar mei die functie aan na een succesvol concert. De pas benoemde chef-dirigent Marc Soustrot en de artistieke commissie van het orkest waren echter tevoren niet geraadpleegd. De woedende Soustrot kondigde nog voor het begin van zijn werkzaamheden zijn ontslag aan. Het orkest zei het vertrouwen in het bestuur op.

Inmiddels zijn de problemen de wereld uit. Van Zweden heeft gepraat met Soustrot en zijn contractuele bevoegdheden zijn verminderd. Het orkest kreeg een nieuw bestuur en een nieuwe directie. Van Zweden: “Dat begin was heel vervelend, maar ik kon er niets aan doen. Ze boden mij het vaste gastdirigentschap aan en dat heb ik geaccepteerd. Aan het begin van deze week keek het orkest wat minder vrolijk dan de vorige keer. Maar dan denk ik: 'we hebben nu die afspraak dat we met elkaar werken en laten we daar dan een fantastische tijd van maken'. Er is maar één manier om problemen te overbruggen: met een goed concert. Dat is het voordeel van de musicus.”

Van Zweden weet hoe musici tegen een dirigent aankijken. “Zo'n week wordt door het eerste kwartier bepaald. Het allerbelangrijkste is dat een dirigent een visie heeft, hij moet zeggen hoe hij het wil hebben. Een orkest kan het dirigenten heel lastig maken, als iets ze niet bevalt. Met Simon Rattle, een dirigent die onvoorstelbare dingen kan, ging het bij het Concertgebouworkest mis. Hij zou arrogant zijn en dan hoefde het al niet meer. Ook met Michael Tilson Thomas ging het verkeerd, zoiets kan al aan twee 'verkeerde' opmerkingen liggen.”

Armgebaren

Omstandig legt Van Zweden uit hoe hij het concert van vanavond heeft overdacht: een zo groot mogelijk contrast tussen Schubert en Brahms. Brahms dirigeert hij op klassieke wijze met een stokje, Schubert niet, die modelleert hij met zijn handen. Zijn gebaar is duidelijk en suggestief, nooit doet hij met beide handen hetzelfde. Hij gaat vaak diep door de knieën en hij heeft een heel repertoire aan expressieve armgebaren. Uit het hoofd dirigeren kan Van Zweden wel, maar dat doet hij niet. “Zonder muziek voor me ben ik vrijer, met muziek voor me heb ik voordeel dat ik iets kan zien, als ik dat wil. Dat doen Haitink en Chailly ook altijd.”

Met Harnoncourt heeft Van Zweden veel gepraat over Schuberts Unvollendete. Hij denkt nu dat het werk niet onvoltooid is, maar dat Schubert het had bedoeld als tweedelig. Het eerste deel gaat over de relatie vader-zoon, het tweede deel over zijn overleden moeder, die opgebaard ligt: de pizzicati zijn 'lichtflitsen in het aura om haar hoofd'.

Het concert 's avonds verschilt flink van de repetitie. Schuberts Unvollendete gaat langzamer, Brahms juist sneller en forser. Alleen het Rondo voor viool en strijkers van Schubert klinkt nog precies zo als 's morgens en even opmerkelijk. Theodora Geraets speelt het vroeg-negentiende eeuwse stuk met een strijkstok uit de baroktijd. Tot verbazing van Van Zweden klinkt het Rondo inderdaad erg ouderwets, terwijl toch ook al wat Mendelssohn hoorbaar is.

Na de onstuimig eindigende Brahms-symfonie reageert het publiek enthousiast. In de dirigentenkamer ontvangt Van Zweden van musici en anderen tal van complimenten. Daarna is er in hotel Dorint nog een kleine nazit met concertmeester Maurits van den Berg en eerste cellist Paul Uyterlinde. De sfeer is gezellig met veel grappen en anekdotes. Tegen één uur rijden we weg, terwijl de uitzwaaiende violist en de cellist zich uitbundig vrolijk maken over 'zó'n kleine Jaguar'.

Twee weken later repeteert Van Zweden in Amsterdam als dirigent met een aantal van zijn collegae van het Concertgebouworkest. In kleine bezetting vormen ze in hun vrije tijd het Concertgebouw Kamerorkest. Van het Mozartconcert in de Grote Zaal van het Concertgebouw wordt een cd-opname gemaakt, met de Veertigste symfonie en het operaatje Der Schauspieldirektor. De repetitie gaat vlot, maar ook hier grijpt Van Zweden voortdurend in met soms hele kleine aanmerkingen.

“Ze zijn zó goed, dat ik er ongerepeteerd voor kan staan en een heel behoorlijk concert geven. Maar ik wil wat ik in mijn hoofd heb. Heel gedetailleerd. Die b iets zachter dan de gis. Ik kan dat horen. Ik weet ook wat ik wil horen. Dan kun je het als dirigent ook precies zo krijgen, als je met een goed orkest werkt. Deze musici hebben vaak met Harnoncourt gewerkt, maar ik wil een eigen gezicht, mijn eigen visie laten zien.”

Wat zijn de kenmerken van Van Zwedens visie? “Trouw aan de partituur, al zegt iedereen dat. Maar wat staat er in de partituur? Harnoncourt werkt meestal met grote contrasten, maar er zijn vaak tussenstemmen, die worden weinig benadrukt. Het is een kick om die eruit te halen. Ik vind het leuk als die Veertigste symfonie fris wordt gespeeld, maar het hoeft van mij niet zó puntig en agressief als hij het deed. Ik ben besmet met zoveel verschillende opvattingen. Je eigen innerlijke stem, dat is je enige echte graadmeter. Hoe zing jij? Anders dan ik en ik weer anders dan Haitink of Bernstein. Ik zoek altijd naar een zangstem in mijn hoofd. Hoe zou het moeten klinken?”

Het concert met de cd-opname verloopt tumultueus. Dat een microfoon voor de sopranen instort is het minste. Tijdens de Veertigste symfonie begint een vrouw hardop te praten. Wanneer omstanders haar proberen te kalmeren, gaat het het helemaal mis. Ze staat op en loopt nog lang roepend en schreeuwend rond voordat ze door een zaalwacht naar buiten kan worden gewerkt. Ondanks het kabaal achter hem dirigeert Van Zweden onverstoorbaar door, al moet hij aan het eind van het deel de spanning van zich afschudden. Aan het slot van het concert wordt het begindeel nog eens overgespeeld voor de cd.

Tik op de hand

Na afloop is het in de dirigentenkamer extra druk, iedereen wil napraten over het incident. Een jonge vrouw wil met de bekende Nederlander op de foto: ze is een voormalig buurmeisje. Ze vertelt dat Van Zweden nog bij haar broertje achterop de Puch reed. Bij bodega Keyzer, naast het Concertgebouw, haalt Van Zweden herinneringen op aan zijn jeugd, in de tweekamerwoning aan de Theophile de Bockstraat in Amsterdam-West. Zijn vader speelde piano in een zigeunerorkest en repeteerde thuis, met een violist als Lajos Veres. Daar hoorde hij voor het eerst muziek en toen hij zeven was kochten zijn ouders voor hem een pick-up en een plaat van Zino Francescatti: vioolconcerten van Brahms en Bruch.

“Daar was ik helemaal kapot van. Er werd een viooltje gehuurd en ik kreeg les bij Louise van Wijngaarden, violiste bij het Concertgebouworkest. Ze was een schat, maar ook erg streng. Als het niet naar haar zin was, kreeg ik een tik op mijn hand.” Later studeerde Van Zweden bij Davina van Wely, als 16-jarige won hij in 1977 het Oscar Backconcours in Amsterdam. Daarna studeerde hij in New York aan de Jiulliard School of Music bij Dorothy Delay.

Op zijn negentiende, met nauwelijks ervaring op muzikaal en menselijk gebied, werd Van Zweden concertmeester. De concertmeester vervult het contact tussen het orkest en de dirigent. Het is een functie waarvoor veel inzicht is vereist, maar de pater familias van het orkest is hij nooit geweest. “Ik heb nooit een klacht gehoord over hoe ik speelde. Wel over hoe ik soms dingen oploste. Ik dacht dan: 'als ik niks zeg, heb ik autoriteit'. Ik had wel een vlotte babbel, maar uiteindelijk was ik niet echt open met mensen. Dat kwam mijn vioolspel niet ten goede, durf ik nu rustig te zeggen.”

Geen problemen heeft Van Zweden met zijn populistische imago, de interviews met Henk van der Meijden in De Telegraaf, het poseren voor reclamefoto's, de schnabbels. “Ik heb wel fouten gemaakt, zoals optreden met Berdien Stenberg, die geen goede fluitiste is. Maar het is jammer als je steeds daarop wordt vastgepind. Van der Meijden zorgt af en toe dat de zaal volzit. En dankzij die schnabbels heb ik nu een uitzinnige dure Stradivarius, die nog steeds moet worden afbetaald. Over die mooie viool wordt nooit geklaagd.”

Van Zweden had ook zittend op zijn orkeststoel een gemakkelijk contact met het publiek door bij een solo zijn been om te gooien en recht de zaal in de spelen. Met zijn intense muzikaliteit had hij gemakkelijk een wereldster kunnen zijn. “Als concertmeester van een wereldberoemd orkest word je niet gevraagd solo te spelen bij andere wereldberoemde orkesten. Die hebben er zelf een of twee. Toen ik koos voor het Concertgebouworkest, koos ik tegen een internationale carrière. Ik had wel de erebaan onder de violisten, ik was waanzinnig trots, dat ben ik nog. Ik heb nooit gedacht 'wat hierna?' Ik had ook tot mijn 65ste kunnen blijven.”

Toch overwoog Van Zweden twee keer om uit het Concertgebouworkest te stappen en elders concertmeester te worden. “Voor Berlijn ben ik benaderd door Haitink en voor Philadelphia door Sawallisch. In Berlijn wilden ze dat ik kwam voorspelen, daar had ik geen zin in. Naar Philadelphia wilde ik zelf niet, toen mijn jongste zoon autistisch bleek te zijn. We wilden hem niet nog meer taalproblemen bezorgen. Nu zou ik nergens anders concertmeester willen zijn.”

De laatste drie jaar kan Van Zweden in het orkest het spelen en het dirigeren niet meer scheiden. “Ik denk al heel lang mee met de dirigent. Ik ben snel enthousiast als ik voel: 'waauw, zó zou ik het ook doen'. Maar ook als ik dacht: zo zou ik het niet doen, stimuleert mij dat altijd daar een oplossing voor te bedenken. Het jeukt.”

Over het niveau van zijn dirigeren maakt Van Zweden zich geen zorgen. “Ik voel me ontzettend sterk, ik ben totnutoe altijd teruggevraagd. We zijn van èn voor het publiek. Als de zaal vol zit, dan zegt dat iets. Er moet op het podium wat gebeuren. Als ik dat voor elkaar krijg, ben ik gelukkig en maakt het niet uit met wie dat is. Het zou leuk zijn als het met toporkesten kan.”

Viktor Liberman, nu gepensioneerd en jarenlang Van Zwedens collega-concertmeester, is inmiddels chef-dirigent van het Noord Nederlands Orkest. Hij mocht ter gelegenheid van zijn afscheid een keer het Concertgebouworkest leiden en het was voor het eerst in de geschiedenis van het orkest dat zoiets gebeurde. Volgend jaar zomer mag ook Van Zweden het Concertgebouworkest dirigeren, bij een massaconcert in het Vondelpark of in de Arena. “Ik kan niet wachten om voor het Concertgebouworkest te staan. Dat is enthousiasme, niet omdat ik zonodig moet. Ik moet dat hartstikke goed doen en niet bang zijn. Het zijn wel de collega's met wie je zeventien jaar hebt gewerkt. Een heleboel hebben me nog zien komen.

“In Buenos Aires, waar ik in het Teatro Colon heb gedirigeerd, speelde ik een vioolconcert van Mozart. Ze wisten niet wat ze hoorden. Niemand kent me daar, dus ik was een vioolspelende dirigent. Hier ben ik een dirigerende violist. Daarom ga ik steeds minder viool spelen, al houd ik het thuis wel stiekum bij. Als het dirigeren goed gaat, kan ik wel weer iets meer viool spelen. Ik wil het nu helder krijgen, anders wordt het vlees noch vis.

“Als ik nu met mijn viool het podium op ga, loop ik met mijn verleden op het podium. Met mijn lerares, mijn zware jeugd en mijn eenzaamheid in Amerika. Als ik als dirigent het podium op stap, ken ik helemaal geen angst. Met mijn viool op het podium sterf ik net zoveel doden als Oistrach deed. Als dirigent heb ik geen last. Dirigeren is het heerlijkste dat er is. Ik wil alles. En het leuke is: ik kàn het wel, dat viool spelen.”