Elke dag zwaardvis

We zijn naar de kerk gegaan, Connie en ik. Op Goede Vrijdag.

Ze wilde per se dat ik meeging. 'Waarom ik?' had ik nog gevraagd, 'er werken vast wel mensen in The Eccobelli Brothers die echt gelovig zijn, of tenminste gedoopt.' Ze wilde er niet van horen. Ze zei dat ik het wel zou begrijpen, als ik maar geduld had.

Ze had een beetje vissenogen. Niet lelijk, maar wel vissenogen. En met die vissenogen keek ze me onderzoekend aan. En ze zei dat het helemaal niet erg was dat ik niet gedoopt was. 'Wat moet ik aantrekken?' vroeg ik.

'Geen gympjes', zei ze, 'verder is alles goed, en doe een dikke trui aan, het kan koud zijn in de kerk.' 'Geen gympjes en een dikke trui.' Ik beloofde dat ik het zou onthouden.

Als er een hiernamaals bestaat, dan worden je daar beslist al je beloftes voorgelezen die je niet bent nagekomen. Elke dag opnieuw, als een lekkende kraan.

We waren bijna klaar met het sorteren van de soeplepels en de koffielepels.

Toen zei ze: 'Maar je moet er met niemand over praten.' Ze veegde haar handen af aan haar schort. We hadden te weinig schorten. Daarom gebruik ik in plaats van een schort een servet, die propte ik dan in mijn broek. Echt handig was het niet. Waarom mocht ik er nu weer met niemand over praten? Het is niet zo dat je de mensen niet begrijpt, het is zo dat je hun verlangens niet begrijpt. Als je hun verlangens zou begrijpen, of alleen kennen, kennen zou al genoeg zijn, dan zouden de mensen zo helder zijn als een goed opgeschreven zin.Je hoeft niet te weten waar ze vandaan komen, en of hun ouders aan kanker zijn gestorven of op een open veld zijn doodgeschoten, je hoeft niet te weten of ze verzekerd zijn en of ze getrouwd zijn, je hoeft niet te weten of ze gemolesteerd zijn of juist niet of maar een klein beetje, je hoeft niet te weten of ze in God geloven, of ze vaak onder de douche gaan. Je hoeft niet te weten wat ze gisteren deden en wat ze van plan zijn morgen te doen. Je hoeft alleen maar te weten wat ze willen. Wat ze willen drinken, wat ze willen eten, of ze blijven slapen, en als, hoe laat ze gewekt willen worden, en of ze nog iets nodig hebben van de kruidenier om de boek. Als je dat weet, weet je alles.

'Connie,' zei ik, 'mag ik je een rare vraag stellen?'

Soms ken je iemand al vijf jaar en nog durf je diegene geen rare vragen te stellen, en soms ken je iemand pas een half uur en doe je niets anders dan aan een stuk door rare vragen stellen.

'Ja' zei ze.

'Ben jij eigenlijk wel goed wijs?'

Ze keek me niet aan. Ze was bezig een omgebogen koffielepeltje te repareren. 'Nee', zei ze, 'ik ben niet goed wijs, en jij?' 'Ik ook niet', antwoordde ik.

De rest van de avond hebben we niets meer tegen elkaar gezegd. Maar de volgende ochtend stond ze voor de kerk op me te wachten. Ze had een grote tas bij zich, en net als ik droeg ze geen gympjes.

We gingen voorin zitten. Het was inderdaad ontzettend koud. 'Ik ben heel lang niet naar de kerk geweest', zei Connie, 'en ik heb ook al heel lang niet gebiecht.'

'Ik ook niet', fluisterde ik.

Toen de dienst begon, moesten we knielen. Iedereen knielde dus ik ook. Er pasten minstens vijftienhonderd mensen in deze kerk, maar er waren ongeveer tweehonderd op Goede Vrijdag afgekomen. Iedereen prevelde, al knielend, daarom boog ik mijn hoofcl, zodat het niet zo zou opvallen dat ik niet prevelde. Ik had al gezien dat sommige mensen, al prevelend elkaar goed in de gaten hielden.

'Je mag weer zitten', siste Connie. Ik ging weer zitten. Nu het knielende gedeelte achter de rug was, begonnen we aan een beurtzang. De priester zei iets, dan zei een meneer in een gitzwart pak nog iets, en dan moest de gemeente iets zeggen. Ik behoorde dus tot de gemeente, en we riepen steeds weer dingen als, 'en de joden zeiden, kruisig hem.' Iedere keer als we dat moesten roepen, had ik het gevoel dat ze allemaal naar mij keken, en vooral dat ze steeds woedender naar mij keken. Als ik hier nog lang bleef zou ik zelf ook nog gaan geloven dat ik de verlosser op een verloren namiddag had gekruisigd. 'Ik moet naar de wc', fluisterde ik. 'Blijf zitten', siste Connie. Toen boog ze zich naar mij toe, zodat haar mond mijn oor raakte. Even dacht ik dat ze mijn oor zou gaan kussen. Ik had nog nooit een Goede Vrijdag meegemaakt, ik was op alles voorbereid.

'We zitten als ratten in de val', fluisterde ze. Ja, dat fluisterde ze.

Ik keek om me heen. 'Dat valt wel mee', zei ik zacht. Opnieuw pakte ze mijn oor.

'Ik ben een terrorist.' Ze knikte heel ernstig, bijna een beetje plechtig

'Dat heb je al gezegd Conne', zei ik, 'maar het is een vergissing, je bent gewoon Connie.' Eroverheen praten, dat leek me het verstandigste. Maar om ergens overheen te kunnen praten, moet je blijven praten. Je mag niet stoppen. Elke pauze kan levensgevaarlijk zijn.

'Ik heet ook helemaal geen Connie.' Ik legde mijn hand op haar been. 'Laten we hierna wat gaan drinken om warm te worden', zei ik, 'warme chocolademelk of thee. En ik heb niets tegen valse namen. Integendeel. Valse namen zijn vaak beter dan echte namen. Stukken beter. Zo kijk ik tegen het leven aan. Dus laten we het op Connie houden, laten we het gewoon maar op Connie houden.'

Daarna boog ik mij over mijn gebedenboek om aan de beurtzang te kunnen deelnemen.

(Wordt vervolgd)