Rekenen moet je als de beste

Ongeveer 40.000 Mavo-leerlingen maakten gisteren het eindexamen economie. Volgens Kamerlid Rick van der Ploeg (PvdA) is de examenstof onmisbaar voor elke Nederlander die de huishoudportemonnee beheert.

Wim en Helga kibbelen over het kopen van een nieuwe televisie. Als ze het apparaat voor 1 maart aanschaffen, dan is de prijs 1.500 gulden. Na 1 maart kost het toestel 1.550. Eind mei krijgen Wim en Helga pas hun vakantiegeld. Tot die tijd kunnen ze geld lenen tegen één procent per maand. Wim wil de televisie vóór 1 maart kopen, door een lening af te sluiten. Helga is tegen, omdat het voordeel van de korting niet opweegt tegen de rente. Wie heeft er gelijk, Wim of Helga?

Het Mavo-examen bestaat uit 45 van dergelijke praktische vragen, welke alle in minder dan twee uur beantwoord moeten worden. Ik vond het een pittig examen en vermoed dat de meeste scholieren er een harde dobber aan gehad hebben. Immers: het examen vereist een zeer goede rekenvaardigheid en het vermogen om snel en accuraat te werken.

De vaardigheden, welke door dit examen getoetst worden, zijn onmisbaar voor een ieder die zich in de hedendaagse samenleving bezighoudt met de financiële huishouding van een gezin of werkzaam is in bijvoorbeeld het midden- en kleinbedrijf.

Zo moeten scholieren precies uitrekenen hoeveel premie per jaar betaald moet worden voor een reisverzekering of een inboedelverzekering en hoeveel elk jaar gereserveerd moet worden om in staat te zijn een caravan met een bepaalde inruilwaarde te vervangen. De details van zowel de hypotheekrente-aftrek, het huurwaardeforfait, de belastingvrije som en de schijven in de inkomstenbelasting als de hoogte en duur van de werkloosheidsuitkering passeren de revue. Ook moeten de scholieren de gevolgen van inflatie en salarisverhogingen voor de koopkracht berekenen.

Rekenen moet men kunnen als de beste. Teleurstellend vind ik dat er heel weinig institutionele kennis verwacht wordt. Helaas blijft het bij een vraag over de Colportagewet, waarbij men moet weten hoe men in geval van een iets te mooi verkooppraatje van een koopovereenkomst kan afkomen.

Er zitten interessante toetsen van conceptuele vaardigheden in dit examen. De leukste was waarschijnlijk een vraag over het causaal verband tussen een lager BTW-tarief, een lager tarief voor schilderwerk, meer opdrachten voor erkende schildersbedrijven, meer produktie en meer werkgelegenheid in het schildersbedrijf.

Toch wordt in deze vraag het antwoord er wel erg met de paplepel ingegoten. De vraag over heffingen in plaats van subsidies op de uitvoer van graan naar buiten de Europese Unie op de omvang van graanoverschotten was zeer relevant. Ook de vragen over milieu-eisen, toerisme, betalingsverkeer en de verplaatsing van bedrijven naar Derdewereldlanden toetsen de algemeen-economische kennis. Er zijn ook enige rekenvragen over deze stof. Zo moeten de kandidaten goed met wisselkoersen kunnen omgaan en worden ze aan de tand gevoeld over de gevolgen van schommelingen in de dollar voor de export en import van Nederlandse bedrijven. Samenvattend: kandidaten die voor dit examen slagen kunnen bogen op een brede praktische kennis van economie. Eigenlijk zou elke burger in zijn of haar dagelijks leven profijt kunnen trekken van de leerstof voor dit examen.