In Liefde Bloeyende

Lucebert (1924-1994)

Sonnet

Ik

Mij

Ik

Mij

Mij

Ik

Mij

Ik

Ik

Ik

Mijn

Mijn

Mijn

Ik

Dit gedicht is een rechtopstaand kruis zonder dwarshout, een stam zonder takken, een i zonder punt. Het vormt geen pleidooi voor schraalte of magerheid. Ik citeer het niet om het belang van leegte en van wit in de poëzie te benadrukken. Poëzie kan evenzogoed alles te maken hebben met vruchtbaarheid en overdaad, met zwelgen en volte. Dit sonnet met zijn bijna uitgegumde bladspiegel valt nogal op in het werk van Lucebert, wiens regels zo vaak de marge overschrijden om driftig over elkaar heen te buitelen. Lucebert is een exuberant dichter en hij is in Sonnet niet plotseling tot inkeer gekomen.

Toch werd hier gewied en gesnoeid. Uit ergernis over het gevoelssonnet en gevoelspoëzie in het algemeen zette Lucebert zich hier als een gelegenheidswieder aan het werk. Men schreef, voorafgaand aan de Vijftigers, immers weer menig gevoelssonnetje. Poëzie van het kleine geluk met een weemoedig ondertoontje. Wat is de kern van die poëzie? Wat gebeurt er met zo'n sonnet als je alles wat overbodig en toevallig is er uit weghaalt? Dat is wat Lucebert doet: zoveel mogelijk schrappen. En zo komt hij tot dit oersonnet. Dit is het sonnet zoals het door het oog van de vakman wordt gezien. Dit is het sonnet dat lezers op duizenderlei manieren kunnen invullen, met het hogere -

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant

of met het lagere -

Ik heb een veder op mijn kruin geplant

- dit is het sonnet dat alle voorgaande ego-sonnetten overbodig maakt. De irritatie over de heersende ik-poëzie van de firma Hoornik, Aafjes & Co. vormde voor Lucebert misschien de aanleiding - je kan je ook niet aan de indruk onttrekken dat hier de ene grote dichter een hommage brengt aan de andere grote dichter, de dichter van

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten

En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon

- de keizer van de Tachtigers, Willem Kloos dus, die wij hier tot de essentie zien teruggebracht. Dit Sonnet is de blauwdruk van Kloos' verzameld werk. Dit is het gedicht van Kloos. Een hommage en een genadeklap. Lucebert toont ons de ware kleren van de keizer.

Je kan het smalle ding lezen als een poëziekritiek, maar ook als een laatste saluut aan een onttroonde dichter. 't Heeft wel iets indrukwekkends, veertien regels lang dat ik met uitsluiting van al het andere. Het ik is hier van iedere aardse banaliteit ontdaan, het torent hoog boven de nietigheden en de anekdotes uit. Lees je Luceberts regels als een kritiek op de ik-poëzie en op de sonnetten over het allerindividueelste ziele-binnenhuisje, dan krijgt het 'mijn' een verachtelijk bezitterige bijklank en zie je in de herhaling van het ik, mij, ik, mij het drammerige van de poëet haarfijn voor je. Sonnet wordt dan iets van een parodie, een komische overdrijving. Lucebert toont ons dan, zeg maar, de steigers van een sonnet zoals een traditionele sonnettenbouwer het bouwt. Maar we kunnen het gedicht ook op een tragische manier lezen: als een staketsel zonder vulling en zonder verwijzing naar een voltooide of nog te voltooien structuur. Als een sonnet over het naakte ik dat uiteindelijk resteert. Lucebert was immers niet wars van het ik in de poëzie -

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af

en ik val en ik ruis en ik zing

- en al helemaal niet van het ik in een grandioze pose of als het symbolisch kon worden uitgebuit. Het getuigend ik is bij hem niet zeldzaam -

Ik denk dat een god het is

viool spelend op mijn strot

- en dat zorgt ervoor, alles bij elkaar, dat ik de woorden ik, mij en mijn in bijgaand gedicht moeilijk uitsluitend als parodiërende woorden kan lezen. Sonnet is meer dan een literaire kritiek of een aan de actualiteit gebonden afwijzing van zekere slappe poëzie. Het gedicht wijst mogelijkerwijs iets specifieks af - maar het maakt ook schoon schip in meer algemene zin. Het maakt schoon, zodat we opnieuw over poëzie kunnen gaan denken.

't Liefst, evenwel, zie ik Sonnet als de ultieme optelsom van het werk van Willem Kloos en daarmee de afrekening met de voorganger. Sonnet, 't is de zin Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten uit zijn horizontale stand getild en recht overeind gezet. Golgotha. De voormalige godenzoon gekruisigd, als schim zonder lichaam.