The Who wekt Pavlov-reactie op

Concert: The Who met Quadrophenia'. 11/5 Ahoy' Rotterdam.

De drummer slaat een vette roffel, en nog een, en nog een, de blazers zetten zich schrap om flink uit te halen, de toetsenisten slaan enkele zware mineurakkoorden aan, de ene gitarist speelt imposante spierbalakkoorden, de ander een melodramatische melodie, de zanger staat met de armen naar de hemel en schreeuwt.

The Who is bezig aan de finale van het stuk Quadrophenia, in 1973 geschreven door gitarist Pete Townshend. Indertijd bleek het te moeilijk voor de viermansband om het live uit te voeren, nu bieden synthesizers, blazers en een groot filmscherm uitkomst.

De bombast waarvan The Who zich, vooral aan het eind, bediende, is een beproefd middel: het werk van Andrew Lloyd Webber drijft er grotendeels op. Het publiek stelt tevreden vast dat kosten noch moeite gespaard zijn, ziet de zangers en muzikanten hun uiterste best doen, krijgt door alle pathos en melodrama het gevoel iets indrukwekkends mee te maken, en geeft zich over aan de meest natuurlijke reflex: klappen, juichen, een staande ovatie.

Maar waar ging het nu eigenlijk over? De hoofdpersoon van Quadrophenia, die ons in Ahoy' vanaf het filmscherm toesprak, is een getroubleerde jongen, kwaad op zijn omgeving en zichzelf, hunkerend naar liefde, meestal high van speed of low als de drug is uitgewerkt. Hij sluit zich aan bij de mods, een jongerenbeweging die op scooters rondrijdt en graag de rivaliserende rockers lens slaat. De jongen bezoekt een psychiater: hij zou schizofreen zijn. Maar eigenlijk verenigt hij niet twee, maar vier persoonlijkheden in zich, is dus quadrofeen, vier persoonlijkheden die overeenkomen met de vier oorspronkelijke leden van The Who (drummer Keith Moon is in 1978 overleden).

Quadrophenia gaat vooral over The Who zelf, en de opvoering is voor de groep zelf vast een toepasselijke afronding van ruim dertig jaar Who. Maar is dat voor de toeschouwers zo interessant? Het verhaal van Quadrophenia blijft schetsmatig, en de hoofdpersoon is zo onuitgewerkt dat je niet wordt overgehaald je met hem te identificeren. De rol van bijfiguren als The Godfather en The Ace Face blijft onduidelijk, en dramatisch gezien ontwikkelt het stuk zich nauwelijks. Quadrophenia ontroert niet, biedt geen inzichten, alleen een handvol goede popnummers en te veel bombastische, symfonische rock die wellicht op zijn plaats was in de jaren zeventig maar nu echt achterhaald is.

Met de uitvoering was niets mis: de wisselwerking tussen beeld en muziek was knap, Roger Daltrey zong krachtig en stond als vanouds wijdbeens met de microfoon te zwaaien, Pete Townshend speelde en zong bezield.

Het gaf echter te denken dat het publiek het meest enthousiast reageerde op de momenten die aan een regulier popconcert deden denken: een bassolo van de grijze John Entwistle, een door Townshend alleen met akoestische gitaar gezongen liedje, de enkele keer dat hij zijn befaamde molenwiekbeweging met de rechterarm maakte om een akkoord aan te slaan.

Het lijdt dan ook geen twijfel dat iedereen in Ahoy', behalve The Who zelf, verre de voorkeur had gegeven aan een concert met gewoon de beste nummers van The Who, waarvan nu slechts een deel gespeeld werd in de toegift.