Gezelligheid is belangrijk in de wiskundeles

Er staan alweer veranderingen voor de deur in het voortgezet onderwijs en de werkdruk is groot. Desondanks vinden veel leraren voor de klas staan leuk. Waarom? Zes docenten vertellen daarover. Dit is de zesde en laatste aflevering

Ellen Waterman (32) is sinds februari dit jaar docent wiskunde in de eerste drie klassen van 't Slingerbos, een regionale scholengemeenschap voor Mavo, Havo en VWO in Harderwijk. Ze geeft vijf jaar les, waarvan bijna drie jaar in Botswana, in zuidelijk Afrika.

“Achter een muurtje met een opening erin staan schapen. De leerlingen moeten bepalen welke schapen te zien zijn en welke niet. Ze tekenen een zogeheten kijklijn, een rechte lijn waarmee je een kijkveld creëert. Vervolgens kunnen ze berekenen welke schapen te zien zijn. De wiskundeboekjes van nu staan vol met dit soort praktijkvoorbeelden. Wiskunde zit om je heen. Het is niet alleen maar A + B = C.

“Soms denk ik dat wiskunde een van de belangrijkste vakken is. Niet zozeer het sommetjes maken, want dat is in principe gewoon een techniek die je moet leren. Maar het gaat om inzicht verwerven, problemen analyseren en abstract leren denken. De methodes zijn daarop gericht. De leerlingen worden bij de hand genomen en leren zelf dingen ontdekken. Ze lopen tegen problemen aan en moeten deze oplossen. Dus wordt hun niet meer voorgekauwd: 'voor dit probleem heeft men deze formule bedacht'. Maar ze ontdekken langzaam stukjes van die formule.

“Ik heb bewust een vak gekozen waarin ik makkelijk een baan kon vinden. Als ik terugkijk naar mijn eigen middelbare schooltijd realiseer ik me dat de keuzes die je maakt ook afhankelijk zijn van de leraar die het vak geeft. Biologie bijvoorbeeld liet ik vallen omdat daar een vreselijke docent zat. Ik probeer in de klas een prettige sfeer te creëren, zodat leerlingen zich thuis voelen. Gezelligheid is belangrijk, er moet ruimte zijn voor af en toe een grapje, waardoor wiskunde leuk wordt. Of in ieder geval de wiskundeles leuk wordt. Ik zou het liefst willen dat ze denken: 'Ah, wiskunde, mevrouw Waterman, daar heb ik wel zin in.'

“Het kost me af en toe wel moeite om leerlingen aan het werk te zetten. Zeker in een drie-Havo-klas waar kinderen vaak met andere dingen bezig zijn. De meisjes zitten met vriendjes in hun hoofd, die vinden alles belangrijk behalve school. Ook voor hen moet je wiskunde interessant proberen te maken. Bijvoorbeeld door ze op heel korte termijn te motiveren: 'Zorg nu dat je dit afhebt, dan ga je straks zonder huiswerk naar huis.' Of 'maak dit nog even, dan kom ik zo kijken of het goed is.' En ze een veer in hun kont steken als het goed is, zeker degenen die er moeite mee hebben. Een snelle leerling laat ik het anderen uitleggen. Die kan zich dan een beetje trots voelen en heeft wat te doen. Het zou mooi zijn als leerlingen meer zelfstandig en in hun eigen tempo kunnen werken. Maar dat gebeurt nog niet veel op deze school.

“In Botswana was ik oorspronkelijk aangenomen als computercoördinator om een cursus op te zetten. Maar er is een enorm tekort aan natuurkunde- en wiskundeleraren. Dus toen een lerares zwanger werd, nam ik haar wiskundelessen over. De leerlingen zijn daar erg gemotiveerd. Ze investeren in hun studie zodat ze later voor hun familie kunnen zorgen. Ze zullen altijd een vak kiezen waar werk in is. Dat is in Nederland wel eens anders. Wat orde betreft zijn ze streng ouderwets Engels opgevoed en er worden nog steeds lijfstraffen gegeven. De straffen die ik daar gaf, zoals het lokaal opruimen of ze een uur na laten komen, vinden ze eigenlijk maar fake-straffen.

“Al in de derde klas verlaten veel meisjes de school wegens zwangerschap. En in Botswana word je ook op school geconfronteerd met aids. Leerlingen komen naar je toe om te vertellen dat ze naar de kliniek moeten om een aidsmedicijn te halen. Het gerucht ging dat 25 procent van de bevolking besmet was met hiv. Ik stond les te geven aan een klas waarvan een kwart er misschien over tien jaar niet meer zou zijn. Voor de lessen begonnen had een mentor twintig minuten om voorlichting te geven. Dat is minstens zo belangrijk als de wiskunde die ik gaf.

“Ik ben meer docent om het lesgeven dan om de wiskunde. Als leraar heb je toch vooral een opvoedende taak. Je probeert de kinderen ook sociale vaardigheden bij te brengen. Ik wil daarom dat zij mij als mens zien en dat ze me alles durven vragen en zeggen. Ik vind het prettig als leerlingen na afloop van de les even blijven zitten en een praatje komen maken.

“Op deze school ben ik de enige vrouw onder negen wiskundecollega's. Toch hoop ik dat ook meisjes gestimuleerd worden om wiskunde te doen. Dat ik een vrouw ben maakt de keuze misschien makkelijker. Ze zien dat het kan.”