Onprotestantse tobber

Gordon Bowker: Through the Dark Labyrinth. A biography of Lawrence Durrell. Sinclair-Stevenson, 480 blz. ƒ 79,-

Het is in Engeland, waar de biografieën bloeien, geen uitzondering dat er twee over hetzelfde onderwerp bijna tegelijk verschijnen. Nu weer over de schrijver Lawrence Durrell (1912-1990). Binnenkort moet een geautoriseerde biografie van hem uitkomen, dat wil zeggen een waarvan de auteur de documentatie van de nalatenschap heeft mogen benutten. Dat voordeel heeft Gordon Bowker, bekend geworden als biograaf van Malcolm Lowry, niet gehad. Hij heeft als buitenstaander gewerkt, maar hij is de concurrentie net voorgeweest in de boekhandel.

Er blijft ruimte open voor het tweede boek. Dit eerste is niet afdoende. Er staat een overstelpende hoop informatie in over Durrells dagelijks leven, wie er langskwamen, met wie hij naar bed ging, wie hij telkens weer omtmoette, wanneer hij te veel dronk en de opeenvolging van zijn woonplaatsen en zijn publicaties is goed te volgen. Het is indrukwekkend hoeveel Bowker bijeengebracht heeft zonder medewerking van de erven, maar het portret van de omschreven romanschrijver blijft onvoltooid. De hoofdlijnen zijn duidelijk aangegeven; de interpretatie is summier.

De vier delen van Durrells hoofdwerk, het Alexandria Quartet, verdeelden zodra zij verschenen, tussen 1957 en 1960, de opinies in Engeland, maar de volgende twintig jaar moest iedereen die de Engelse literatuur wilde bijhouden ze lezen. De schrijver had van 1941 tot 1945 bij de Britse informatiedienst in Egypte gewerkt, en zonder bepaald op het land gesteld te zijn geraakt vond hij Alexandrië een geschikte on-protestantse entourage voor zijn levensopvatting. Amoreel, erotisch, zonovergoten, filosofisch, woordenrijk: sommige lezers zagen er een openbaring in, anderen weigeren zich te laten epateren. Een belangrijke steun voor het Quartet werden, toen het al gauw vertaald was, de Franse critici die het behandelden als de schepping van een nieuwe Europese meester en de Engelse twijfels bijna overstemden.

Een probleem voor de beoordeling van Durrells romans was dat hij er pretentieuze toelichtingen bij leverde: over een ruimte-en-tijd continuüm, over mystiek en seksualiteit en creativiteit. Het werk was avontuurlijk, beeldend en vingdingrijk genoeg om zonder uitleg kleur te brengen in het sobere wereldbeeld van zijn lezers: die konden dan zelf zien wat zij eruit begrepen, en dat zal nog steeds het beste zijn.

Na het Alexandria Quartet heeft Durrell behalve poëzie, reisboeken en enkele potboilers twee andere romanseries geschreven, een tweedelige en het vijfdelige Avignon Quartet (hij woonde vanaf 1957 in Frankrijk). Als wij tijd genoeg hadden zou dit een geschikt jaar zijn, met waarschijnlijk twee biografieën ter aanmoediging, om de voornaamste delen van zijn werk te herlezen. Hoe klinkt Justine (het eerste boek van het Quartet) na veertig jaar? En Mountolive (het derde), dat veel lezers het best beviel omdat het een helderder verhaalstructuur had dan de andere?

Ik zal zelf Durrell niet bovenaan mijn lijst van te herlezen auteurs zetten, maar wie weet verandert de stemming na de tweede biografie. Zelfs met het onbevredigende werk van Bowker is hij herleefd in de verbeelding: een innemende gastheer, een bruut, meer dichter dan romanschrijver maar ook meer verteller dan dichter, een veelprater, een kluizenaar, een levensgenieter, een tobber.

Zijn nagedachtenis verdient in elk geval nader op orde gebracht te worden. Bowker komt pas tegen het eind op gang, nog niet met een samenvattende visie op Durrell, maar met enige gedenkwaardige incidenten. In 1980, nadat zijn scheiding van Chislaine de Boysson was uitgesproken, verliet hij de rechtbank met tranen op zijn wangen. Zijn zijn ex-vrouw probeerde hem te troosten: 'Het zal beter zijn zo.' 'Ik huil niet om onze scheiding', zegt Durrell, 'ik huil om de alimentatie die ik je moet betalen.' 'To her surprise, she found herself laughing.'