Genesis 11:1-9 Laten wij tichelen maken

In het Oude Testament, Genesis voorop, heeft het woord 'stad' onveranderlijk een ongunstige connotatie. Het is een moordenaar - Kaïn - van wie terloops (Gen. 4:17) vermeld staat dat hij de stichter van een stad wordt; in die hoedanigheid is hij de eerste. Lot, de broer van de herder Abraham, zelf in elk geval aanvankelijk eveneens herder, wordt een bewoner van de stad Sodom.

De plaatsing van het verhaal van de torenbouw van Babel is niet zonder betekenis. Het volgt direct op dat van de zondvloed en het gaat vooraf aan de geschiedenis van de aartsvaders Abraham, Isaäk, Jakob en Jozef. Met het verhaal van de torenbouw neemt de 'oergeschiedenis', die begon met de schepping, een einde.

De afkeer van de stad, zo voelbaar onder de nomaden die de eerste bijbelboeken bevolken, zal zeker ook het een en ander te maken hebben met Israels ligging tussen de twee grote vroegstedelijke agrarische beschavingen in het Tweestromenland en langs de Nijl. Door het volk Israel is in zijn geschiedenis heel wat heen en weer gependeld tussen die twee gebieden. Abraham komt uit Mesopotamië, Mozes moet de twaalf stammen uit Egypte leiden.

Het verhaal van de torenbouw is een echo, andermaal, van de verdrijving uit het paradijs. Want eenzelfde verhaal begint steeds opnieuw: na het een of andere paradijs de verdrijving uit dat paradijs. Nadat Noach zichzelf en de overige overlevenden ontscheept heeft, blijft het maar heel kort rustig in de bijbel. Het is een rust die zoals gewoonlijk de vorm aanneemt van een geslachtsregister. Daarna gaat het er weer op los.

Het verhaal van de torenbouw is merkwaardig kort en abstract. De bouwers zijn naamloos. In de ideeënwereld van het Oude Testament is niets verder verwijderd van de tuin die God de mensen had toegedacht dan juist de stad. In het aardige boek 'Wegen en voetsporen van het Oude Testament', waaraan ik hier een en ander ontleen, vestigt de hebraïcus M.A. Beek er de aandacht op dat de mythen van de Sumeriërs doortrokken zijn van eerbied voor de stad: 'Zij zeggen dat de steden al bestonden tegelijk met de schepping van de wereld'. Dus de ene god schept een paradijs, de andere een stad. Het boek van Beek ligt overigens voor weinig geld bij De Slegte, als ramsj.

Het verhaal van de torenbouw begint zo. 'De gehele aarde nu was één van taal en één van spraak'. Daar hebben we de oorspronkelijke eenheid weer, die ontbonden moet worden. 'Toen zij oostwaarts trokken, vonden zij een vlakte in het land Sinear, waar zij zich vestigden. En zij zeiden tot elkander: Welaan, laten wij tichelen maken en die goed bakken. (-) Ook zeiden zij: Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot den hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden.'

Let wel: 'Laten wij ons een stad bouwen met een toren'. Het gaat allereerst om de bouw van een stad. Het befaamde schilderij van Brueghel, waarop stad en toren als een en hetzelfde worden afgebeeld, namelijk een stad in de vorm van een toren, heft elk onderscheid tussen stad en toren op. Maar het is waar dat het één voorgesteld lijkt te worden als een uitvloeisel van het ander. Natuurlijk werd hier, voor de oriëntaalse lezer van de Hebreeuwse tekst, gezinspeeld op de befaamde Marduktempel in Babel, de ziggurat, de naar boven toe uit steeds kleiner vierkanten gestapelde toren met trap rondom, die - alleen voor de priester, één maal per jaar - naar het woonvertrek van de god voerde.

Genesis 11 vervolgt: 'Toen daalde de HERE neder om de stad en den toren, die de mensenkinderen bouwden, te bezien, en de HERE zeide: Zie, het is één volk en zij allen hebben één taal. Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn.' God is niet graag overbodig. 'Welaan, laat Ons nederdalen en daar hun taal verwarren, zodat zij elkanders taal niet verstaan. Zo verstrooide de HERE hen vandaar over de gehele aarde, en zij staakten den bouw van de stad. Daarom noemt men haar Babel, omdat de HERE daar de taal der gehele aarde verward heeft en de HERE hen vandaar over de gehele aarde verstrooid heeft.'

Met dit Hebreeuwse woordspel, een volksetymologie, eindigt de geschiedenis van de torenbouw van Babel. 'In de antieke wereld' - om de bovengenoemde Beek nogmaals aan te halen - 'wist iedereen wel wat die naam betekende: 'poort Gods'.'

Op het verhaal van de torenbouw volgt een geslachtsregister, dat loopt tot en met Abraham. Want in Genesis 12 zal deze eerste aartsvader zijn gebied in Ur der Chaldeeën verlaten om op weg te gaan naar het land Kanaän. De plaatsing van het verhaal van de torenbouw is ook daarom zo vernuftig, omdat het, om zo te zeggen aan de vooravond van de vestiging van Israel, vooruitwijst naar de latere Babylonische ballingschap. Wanneer we hierbij bovendien bedenken dat het boek Genesis, althans in zijn huidige geschreven vorm, heet te dateren uit diezelfde tijd van de ballingschap, begin zesde eeuw voor Christus, loopt de cirkel volmaakt rond. Genesis is het boek dat de balling hoop moet geven.