Ferdinand van Altena bouwde in Amsterdam professioneel folkloristisch danstheater op; Langs verre dorpen op zoek naar volksdans

Ferdinand van Altena neemt na 35 jaar afscheid van het Internationaal Danstheater, een professionele volksdansgroep. “Mensen associëren folklore met oubollige boerse gebruiken.”

AMSTERDAM, 7 MEI. “Het is mooi geweest. Laatst attendeerde iemand mij erop dat ik in de danswereld ruimschoots de langst zittende artistiek leider ben. In die tijd heb ik veel collega's door hun eigen personeel weggedragen zien worden. Dat wilde ik voor zijn.”

Zondag neemt Ferdinand van Altena (60) officieel afscheid van het Internationaal Danstheater, waaraan hij meer dan 35 jaar verbonden was als artistiek directeur, en de laatste acht jaar ook als zakelijk leider. Maurits van Geel, die de afgelopen jaren al nauw betrokken was bij de totstandkoming van de produkties, volgt hem op.

Thuis, door een gekneusde voet aan zijn stoel gekluisterd, laat Van Altena bromgeluiden horen als de aanstaande plechtigheden - receptie, voorstelling en feest - ter sprake komen. “Het moet gebeuren, maar ik zie het als werk.” Tevreden stemt hem de terugblik op wat er bereikt is. “Dat is meer dan we ooit hadden kunnen dromen. Het lijkt allemaal nogal rimpelloos als ik het zo vertel, maar dat is natuurlijk slechts schijn. Zoals elk gezelschap hebben ook wij intern grote conflicten gehad. Maar koppen hebben er nooit hoeven rollen. Daar ben ik blij om.” Als een bouwwerk dat de voltooiing nadert, zo ziet hij 'zijn' gezelschap. Begin jaren zestig, toen de professionele dans hier nog nauwelijks iets voorstelde, pionierde Van Altena door een eigen folkloredansgezelschap op te richten, balletmeesters uit het buitenland te halen en een professionele training voor dansers te verzorgen. Voor de folkloredans is Van Altena wat Sonia Gaskell, oprichtster van Het Nationale Ballet, was voor het klassieke ballet: een gepassioneerde voorvechter, die eigenhandig een traditie wist te op te bouwen.

Het Folkloristisch Danstheater, zoals de naam van de groep tot voor kort luidde, groeide uit tot een beroepsgezelschap dat jaarlijks ruim honderd voorstellingen verzorgt, met een gestaag groeiend, steeds jonger publiek, meer buitenlandse tournees en een eigen theater, De Doelen in Amsterdam. Om het internationale karakter van de groep te onderstrepen en een eigentijdser imago te verkrijgen werd eind vorig jaar besloten tot een naamsverandering. 'Folkloristisch' werd 'Internationaal'. Van Altena: “Het was mijn bedoeling om het begrip 'folklore' een andere inhoud te geven, maar dat is me niet gelukt. Mensen vinden het een rotwoord. Het wordt geassocieerd met ouderwets, met oubollige boerse gebruiken.”

Zelf begrijpt hij niets van die negatieve bijklank. Zijn eerste volksdanslessen kreeg hij in 1947 op de lagere school, op het Amsterdamse Hygieaplein. “Later, toen ik op de HBS zat, ging ik nog regelmatig terug naar die juf om nieuwe dansen te leren.” Na een MO-opleiding dans raakte Van Altena betrokken bij tal van activiteiten op het gebied van folklore. Naast zijn werk als producent, regisseur en artistiek leider van zijn eigen gezelschap gaf hij onder meer dansles en bouwde een uitgebreid repertoire op, dat hij ontdekte op talloze reizen. Om aan geld te komen plantte hij bomen in Duitsland en plukte hij druiven in Griekenland en ging vervolgens dorpen, markten en feesten af op zoek naar authentieke dans. Van Altena: “In 1958 was ik een half jaar in Israël. Ik kwam terug met aantekeningen over 150 dansen. Die studeerde ik hier in. Zo heb ik dat jarenlang gedaan.”

De groep onderscheidt zich nu al vijftien jaar van andere buitenlandse volksdansgezelschappen met thematische programma's. Mare Nostrum (1989) bestaat uit dansen uit het gebied rond de Middellandse Zee, voor Dansend langs de Zijderoute (1991) vormde de 15.000 kilometer lange handelsroute door landen als China en Tibet de inspiratie. Theatrale vormgeving en regie zijn steeds belangrijker geworden: in plaats van een doelloze reeks achter elkaar geplakte mannen-, vrouwen-, rei-, en bruiloftsdansen is een voorstelling van het Danstheater een afgeronde theaterproduktie. Van Altena: “Folklore bestaat uit verschillende ingrediënten: het educatieve, het museale en het dansante. Met onze programma's willen we iets overbrengen van de waarde daarvan. Doen we de can-can, dan doen we dat met alle glitter en glamour van dien, want zo hoort dat. Hart en ziel komen wel aan bod in andere dans. We willen mensen raken met iets dat echt is.”

Het repertoire is nadrukkelijk internationaal, terwijl buitenlandse groepen vaak gruwen van het idee om andere dan nationale of regionale dansen uit te voeren. “Dat zal er in de toekomst niet minder op worden. Sinds de oorlog op de Balkan, een gebied dat een grote rijkdom bezat op het gebied van folklore, ben ik daar vrij somber over. Traditionele kostuums uit voormalig Joegoslavië tref je alleen nog aan in onze opslagruimte, ter plekke is alles vernietigd in de oorlog. Wat dat betreft hebben we een belangrijke conserverende taak.”

Van Altena zou in de toekomst graag een speciale jongerengroep zien, naar het voorbeeld van Nederlands Danstheater 2. “Plannen daarvoor zijn in een vergevorderd stadium, maar tot nu toe is geen subsidie toegekend. Die komt er vast, maar dat zal ik niet meemaken. Ik blijf maar eens een tijdje uit de buurt van de Doelenzaal.”