Mislukte helden

AMSTERDAM. Het ging om dat ene moment van verraad. En om de consequenties daarvan, een halve eeuw lang. 'Voor bijna alles bang geweest' heette het boek, en die titel dekte de lading wel zo ongeveer. Lisette Lewin had daarin de geschiedenis van haar jeugd beschreven: haar moeder die via Westerbork was weggevoerd, haar vader die van het ene onderduikadres naar het andere had gezworven, zijzelf, verstopt in een streng gezin op de Veluwe.

Truus Verhagen - haar werkelijke naam is anders, ze prefereert hier het pseudoniem dat Lewin haar familie gaf - had vorig jaar het boek gekocht omdat ze Lisette van heel vroeger kende. Haar vader had bij haar ouders ondergedoken gezeten, en zijzelf had nog vage herinneringen aan de kleine Lisette die bij haar in bed sliep als ze op bezoek was. Dat was allemaal in de zomer van 1943. Ze begon te lezen, maar op bladzijde 53 stokte ze. Daar waren haar ouders, Joop en Ans Verhagen, waar Lisette's vader Sieg ondergedoken zat, in de Perenstraat. “Het onderduiken stelde de vriendschap zwaar op de proef,” schreef Lisette, Ans was volgens haar dom en praatziek, Joop dronk te veel, soms rolden ze vechtend over de grond, en zo'n zuippartij eindigde er altijd mee dat Joop schreeuwde dat Sieg zijn mond moest houden en hem dankbaar moest zijn. De toestand werd onhoudbaar, en Sieg verkaste naar de buren. Daar hoorde hij dat de SD in aantocht was. Hij glipte weg naar de overburen, die al meer onderduikers hadden. Toen de SD kwam stond hij voor het raam. Sieg hield zijn hart vast. Een paar straten verder, in de Bessenstraat, zat zijn beste vriend ondergedoken, Fred Wiener, met zijn vrouw en nog een stel anderen. Zou de SD dat adres ook kennen?

Toen las Truus Verhagen: “Hij zag een auto de straat binnenrijden, SD-ers stapten eruit. Ze belden aan bij de Verhagens. Even later kwamen ze naar buiten met Ans Verhagen. Ze had handboeien om. Het groepje zette zich in beweging, richting Bessenstraat. 'Godverdomme', riep Sieg.”

Het werd Truus zwart voor de ogen. Nooit had ze iets van dit familiegeheim geweten. Ook haar ouders waren daarna in kampen en gevangenissen terecht gekomen, en haar vader had het allemaal maar ternauwernood overleefd. Maar haar moeder had, las ze nu, in paniek de boel verraden. Alleen: maakte dat al het andere waardeloos?

Het is eind april 1997 wanneer ik de twee zusjes Verhagen ontmoet, Truus en Betty, nu vrouwen van in de vijftig. We bladeren door het familiealbum, met foto's van fietstochten, baby's, vakanties, feestjes. Joop en Ans, twee knappe, jonge mensen. Hij zou in 1982 overlijden, zij in 1989. Betty was al eerder achter het geheim gekomen, via de dochter van Fred Wiener. Toen zij het hoorde wilde ze direct weglopen. “Ik durfde zelfs niet meer in haar buurt te zijn. Ik was dodelijk, dodelijk beschaamd.” Een kleine troost vond ze in het dagboek van Fred Wiener: haar moeder was zwaar onder druk gezet, haar kinderen werden bedreigd, ze wist dat de onderduikers in de Bessenstraat ook gewaarschuwd waren, en ze verwachtte niet anders dan een lege schuilplaats aan te treffen. De vrouw van Fred had echter geweigerd om te verhuizen - en zo werd iedereen opgepakt. Fred had zijn kinderen later duidelijk gemaakt dat helden niet bestaan, maar gemaakt worden.

Het duurde een halve eeuw voordat de twee zusjes Verhagen de waarheid leerden, en er allerlei verborgen deuren uit hun jeugd geopend werden. Truus had na de eerste schok vooral 'een wurgend medelijden' gekregen met haar moeder. “Het zijn niet alleen de slachtoffers en de helden die geleden hebben,” zegt ze nu. “Het zijn ook de mislukte helden die hun prijs betaald hebben, en misschien nog wel meer. Want hun intenties waren niet minder goed dan die van de helden. Ook zij probeerden te redden wat er te redden viel.”

De prijs van de mislukking was hoog voor de Verhagens. Truus: “Het huwelijk was toch al slecht, en deze affaire zal de minachting van mijn vader voor mijn moeder, die toch al kolossaal was, nog verder gevoed hebben. Zelfs zoiets wist ze te verprutsen. Uiteindelijk zijn ze gescheiden.” Betty: “Ik herinner me van mijn vader na de oorlog vooral de ongelofelijke driftbuien, die om het minste of geringste konden losbarsten. We hadden een echte Tralievader.” De gebeurtenissen tekenden ook de kinderen, Betty zou jarenlang in een TBS-kliniek werken, waar ze uitmuntte in het opvangen van agressieve patiënten.

Beide zusjes zijn nu twintig jaar ouder dan hun ouders toen waren. “Moet je die verlovingsfoto zien,”zegt Truus. “Dat zijn toch twee kinderen. Mijn moeder was helemaal het ideaal van die tijd. Bals, partijtjes, tennissen, lief, lief, lief, maar volkomen onnozel. Een paar jaar later was de hele heisa aan de gang. Ze waren er totaal niet op voorbereid. Het was een soort 'Joop Terheul in het Verzet'. Betty: “Lea Dasberg beschrijft die jaren-dertig generatie onder de prachtige slogan: 'Grootbrengen door kleinhouden'. De onschuldige jeugd moest zo lang mogelijk voortduren, en zo lang mogelijk afgeschermd worden van de hardheid des levens. En uitgerekend die jongeren belandden opeens midden in de oorlog, het verzet, de onderduik en alle dilemma's die erbij hoorden.”

Zo konden moed en naïviteit naadloos in elkaar overvloeien. Joop Verhagen werd de geteisterde held. Ans Verhagen is volgens haar dochters altijd poppeliesje met de pijpenkrulletjes gebleven. Toch vertelden mede-kampgenoten dat ze tijdens haar gevangenschap, uit het zicht van haar man, stevig overeind bleef. Truus: “Ik ben ontzettend blij dat ik ook nog een paar verhalen ken waaruit blijkt dat ze wel degelijk flink en moedig kon zijn. Ze was vooral stom gemáákt.”

Geen land herdenkt ooit zijn mislukte helden - hoewel de wereld er vol van is. Betty: “Helden bestaan altijd uit twee delen: een bovenmenselijk deel, iets wat je van normale mensen niet verwacht, en een heel gewoon menselijk deel. Mijn vader zie ik nu veel menselijker, ook in de studentikoze bravoure waarmee hij van alles deed. Het aureool dat ik als kind altijd om hem heen verzon is er niet meer. Maar hij is er in mijn ogen niet minder om geworden.”

“Voor mij is hij nooit een held geweest,” zegt Truus. “Maar wel een flinke vent. En dat is hij gebleven.”