TOON HERMANS OVER Gé Reinders

Gé Reinders: 31/5 Leeuwarden.

Gé Reinders: Truuk nao aaf.

Dureco 1161012.

Toon Hermans: Ik zing van het leven. Polydor 533 280-2.

“Wat hij doet, is het mooiste wat er in het theater bestaat: hij doet namelijk helemaal niks - en dat is het mooiste, maar tegelijk ook het moeilijkste. Andere mensen, zoals ik, hebben er altijd een heleboel flauwekul bij nodig, om de aandacht af te leiden van wie ze zijn. Gé niet. Hij is de man die daar staat. Ik heb wel eens tegen hem gezegd: jij hebt totaal geen verstand van theater, en probeer dat in vredesnaam zo te houden. Ik zag hem zingen, in z'n gewone kloffie, en het was alsof hij bij mij in de keuken stond. Hartveroverend, en puur natuur. Wat je krijgt, als publiek, is een ontmoeting met een man - daar is alles mee gezegd.”

Toon Hermans (80) zingt graag de lof van de Limburgse liedjeszanger Gé Reinders (43), die zich na een carrière in de Engelstalige popmuziek met de cd Truuk nao aaf heeft bekend tot zijn eigen landstaal (“omdat ik daarin veel dieper kan gaan”) en sindsdien met dat repertoire als solist door het land reist. Zo hecht is hun band intussen, dat Hermans vorig najaar zijn studio-cd Ik zing van het leven door Reinders liet produceren. Het resultaat - intiem en vaak teder - verschilde sterk met de uitbundigheid van eerdere Toon-platen.

“Wat me natuurlijk allereerst in hem aantrok, was de taal waarin hij zingt. Ik kom zelf ook uit zo'n klein Limburgs stadje, net als hij, en die taal gaat nooit meer uit je knoken. De aard van de mens heeft nu eenmaal met de aarde te maken, met de plek op de aarde waar je vandaan komt. Ik wou dus wel eens weten wat hij met dat Limburgs deed. Het is een muzikale taal, al was het maar omdat de klinkers zo lang zijn. Nederlands is een staccato-taal, met korte klinkers: dàg, hoe gaat hèt. In het Maastrichts zijn ze tien keer zo lang - dat zingt al haast van zichzelf.

“Toen ik zijn cd kreeg, heb ik m'n kinderen bij elkaar geroepen en op de bank gezet - nou ja, alsof die zich door mij op de bank laten zetten - en ik heb gezegd: als je 't niks vind, mag je opstaan en weglopen. Maar iedereen bleef zitten. Ze vonden het net zo ontroerend als ik. Gé is een groot talent. En daarna zijn we ook vrienden geworden.

“Voor mijn eigen cd wilde ik iets nieuws. Ik heb Gé ook de arrangementen laten maken en de musici laten kiezen, daar heb ik me niet mee bemoeid. En dat is heel mooi uitgepakt, veel sjieker dan ik het zelf zou doen. Ik ben in mijn muziekjes een beetje robuuster dan hij, maar hij wilde het heel klein houden. In een studiootje in Deurne hebben we het gemaakt - door hoofdzakelijk vlaaien te eten, en wat te zingen als daar nog tijd voor was. Toen ik hoorde hoe het was geworden, was ik er echt ondersteboven van.

“Wat ik zo aan hem bewonder, is hoe veel hij kan weglaten. Zelf ben ik al vijftig jaar bezig om dat te kunnen, en het is me nog nooit helemaal gelukt. In diepste wezen is theater: jezelf zijn. Dat wil ik óók. Maar ik ben nu aan het eind van mijn leven, en aan het eind van het weglaten. Méér weglaten kan ik niet. Bij mij zitten nog altijd zes muzikanten in smoking en er staat nog steeds 300 kilowatt licht op, of zoiets. Gé kan alles weglaten, omdat hij het aandurft als uitvoerder niks uit te voeren. Daar kan ik jaloers op zijn.”