Greenpeace wil afvaltransport verhinderen; Midlife-crisis leidt einde centrale Dodewaard in

Nederlands oudste kerncentrale, Dodewaard, wordt vervroegd gesloten omdat de eigenaar geen functie voor deze onderzoekscentrale meer ziet, nu er (voorlopig) geen nieuwe kerncentrales in Nederland worden gebouwd. De ontmanteling is een technisch ingewikkeld proces, dat decennia gaat duren. De milieubeweging wil een veel snellere opruiming van de centrale.

DODEWAARD, 5 MEI. 'Vandaag is het de laatste dag dat ik lekker draaien mag met natte dampen op mijn wieken altijd zonder vollast pieken.'

Met deze regels begint een gelegenheidsvers, dat in de turbinehal van de kerncentrale te Dodewaard hangt. Ook al produceert de centrale sinds een maand geen elektriciteit meer, het werk is nog lang niet voltooid. De ontmanteling van de totale centrale zal aanmerkelijk meer tijd vragen, dan de 28 jaar dat Dodewaard produktief was: pas in 2040 gaat de vier jaar durende ontmanteling van de reactor beginnen. Daarmee komt de totale levensduur van de centrale op 76 jaar.

“We zijn vandaag de dag ongeveer halverwege de levenscyclus”, memoreert ir. P.J. van der Hulst, sectiechef Fysica en Beproevingen van Dodewaard, “en de bijbehorende midlife crisis ontbreekt niet.”

Op de vraag “hoe nu verder in dit leven” heeft KEMA voor kernenergiecentrales in 1995 het antwoord geformuleerd.

Volgens het Eindrapport van de Werkgroep Ontmanteling zijn er vier strategieën denkbaar: directe ontmanteling, ontmanteling na 40 jaar, ombouw tot interim-opslag en in-situ ontmanteling na 40 jaar.

De eerste twee scenario's zijn verder bestudeerd, waarbij de werkgroep koos voor ontmanteling na een wachttijd van circa 40 jaar. Een dergelijk lange wachttijd jaar heeft als voordeel dat de radioactiviteit met een factor van circa 500 afneemt, waardoor de onderdelen relatief makkelijker te hanteren zijn, zonder dat daarbij afstandsgereedschap noodzakelijk is. Ook financieel is een wachttijd gunstig, omdat het voor de ontmanteling gereserveerde geld door rente aangroeit.

In het geval van Dodewaard valt zo 130 miljoen gulden te besparen. Toch is het lang niet altijd gebruikelijk dat de keuze altijd op de aanmerkelijk goedkopere “ontmanteling na uitstel” valt. “Dit heeft vooral te maken met lokale omstandigheden”, legt Van der Hulst uit.

“Bij de kerncentrale in het Duitse Würgassen is in 1994 besloten om deze onmiddellijk te ontmantelen, omdat de mogelijkheid aanwezig was om het radioactief materiaal in Morsleben op te bergen. Daarbij speelde een rol dat die opslagmogelijkheid mogelijk op termijn zou verdwijnen. Als de ontmanteling veel later zou plaatsvinden, was het onduidelijk waar het radioactieve materiaal dan naar toe moest.”

R. J. van den Berg van het in Amsterdam gevestigde onderzoeksbureau Stichting Laka vindt een zekere wachttijd logisch, gezien de langzame vervaltijd van radioactiviteit. “Of een periode van 40 jaar de beste keus is, daarover valt te discussiëren”, aldus Van den Berg.

“De afname van radioactiviteit blijkt vooral de eerste 15 jaar plaats te vinden. Daarna zakt de radioactiviteit nog maar langzaam. Je kunt je dan gaan afvragen waarom er gekozen is voor 40 jaar en niet voor bijvoorbeeld 20 jaar.”

Het totale proces na het definitieve einde van de elektriciteitsproduktie, internationaal aangeduid als decommissioning, zal in fasen verlopen. Tijdens de eerste fase, die tot september 1997 duurt, bevindt zich nog splijtstof in de afgeschakelde reactor. In het begin zorgen reactorkoelelementen voor de afkoeling van de kernlading. Daarna gaat het reactorvat open en verhuist de splijtstof naar het splijtstofopslagbassin. Tijdens de hierop volgende fase gaan de 182 splijtingselementen voor opwerking naar het Engelse Sellafield. De komende drie jaar vraagt dat 18 transporten.

Greenpeace heeft bezwaren tegen de in haar ogen “gevaarlijke, dure en overbodige opwerking van nucleair afval”. In maart verhinderde de milieu-organisatie om die reden het vertrek uit Dodewaard van een speciaal voor het vervoer van splijtstof ontworpen vrachtauto. F. Verdeuzeldonk (Greenpeace): “Meestal zeggen we het niet van te voren, maar de kans is groot dat we ook de toekomstige transporten zullen proberen te verhinderen.”

In een verklaring bericht Greenpeace dat “het in Nederland net lijkt alsof het afvalprobleem onder controle is. Maar na opwerking moet al het ontstane afval weer terug afzender, met alle problemen van dien.”

Dodewaard heeft echter een contract om alle bestraalde elementen door de opwerkingsfabriek Sellafield te laten opwerken.

Tijdens de derde fase, waarin zich geen splijtstof meer op het terrein bevindt, beperken de bedrijfsactiviteiten zich tot het afschakelen en schoonmaken van de laatste systemen en de bewaking van de afgeschakelde centrale. In elke fase verliezen bepaalde bedrijfssystemen hun functie.

In fase 1 zijn dat vooral de aan de elektriciteitsproduktie gekoppelde systemen, zoals de stoomturbine, de generator en de condensor.

In fase 2 gaat het om systemen, die gekoppeld zijn aan de reactor, zoals het reactorafkoelsysteem en het reactorbeveiligingssysteem. In de derde fase zijn vrijwel alle overgebleven systemen overbodig geraakt, met uitzondering van enkele algemeen gebruikelijke systemen, zoals ventilatie, verwarming, en de brandmeldinstallatie.

Tot de eigenlijke afbraak in 2040 zal de resterende installatie zich in een zogenaamde Safe Enclosure bevinden. Het beheer van de installatie zal in handen zijn van een kleine organisatie. Voor deze wachtperiode is een nieuwe vergunning noodzakelijk voor buitenbedrijfstelling en conservering van de centrale. Een Milieu Effect Rapportage (MER) is hiervan een essentieel onderdeel. Hierin moet een vergelijking worden gemaakt tussen de gekozen strategie voor 'ontmanteling met wachttijd' en alternatieven, zoals directe ontmanteling.

“Ervaring in het buitenland toont aan dat directe ontmanteling zonder wachtperiode technisch eveneens goed uitvoerbaar is, maar het brengt naar verwachting geen milieuvoordelen met zich mee. Wel is er dan sprake van enigszins hogere stralingsdoses voor de mensen die aan de ontmanteling zullen werken. En de kosten zijn hoger”, aldus Van der Hulst.

Al het radioactieve materiaal dat bij de afbraak van de reactor vrijkomt, ongeveer 2000 kubieke meter, gaat naar het opslagterrein van COVRA in Zeeland. Deze hoeveelheid zou in de helft van één van de hallen van het Laag radioactief Opslag Gebouw (LOG) van COVRA kunnen. Volgens van der Hulst zal vervolgens het terrein in 2045 “zonder beperkingen of voorwaarden beschikbaar komen voor andere bestemmingen”.

De dia met grazende koeien, die hij tijdens de vorige week gehouden perspresentatie vertoonde, moet hierbij het bewijs leveren dat het gebied tegen die tijd geen enkele vorm van radioactieve vervuiling meer kent.