Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Eten en Drinken

En engeltjes brachten bier rond

De Parelduiker, jrg. 2 nr. 1. Uitg. Bas Lubberhuizen, Amsterdam. Abonnement ƒ 69,50, losse nummers ƒ 17,50.

Wat konden meisjes toch mooi dwepen vroeger: “Maar die ogen zelf waren echte dichterogen, stralend, fascinerend, met ook iets van zachtheid en melancholie; en zijn golvend haar was dichterhaar.” Dichterhaar, dichterogen - het zijn dingen die je tegenwoordig niet meer zo ziet. Annie Salomons (1885-1980), want die was ooit het veertienjarige dweepstertje, zag ze wel, en de jongen die zich kon verheugen in het bezit van dit veelbelovende uiterlijk was de zestienjarige dichter Geerten Gossaert, die eigenlijk Carel Gerretson heette. In De Parelduiker, een tijdschrift dat zich met aanstekelijke nieuwsgierigheid toelegt op het opdiepen van literaire faits divers, anekdotes, weetjes, brieven, schrijft Anthony P. Dekker over de geheime jeugdliefde van Gossaert en Salomons. Iedereen wist wel dat de twee dichters met elkaar bevriend waren, maar dat ze ook geliefden waren, dat ze zelfs trouwplannen hadden, dat wisten ze voor hun omgeving zorgvuldig geheim te houden.

Ze zagen elkaar niet veel, vooral vanwege Gerretsons ongrijpbare en onstuimige levenswijze. Hij verkeert altijd in geldnood, heeft gedurig moeilijkheden met zijn vader, die, zelf protestant, niets in een verbintenis met de katholieke Annie ziet, hij leeft erg bohemien en verwaarloost zichzelf en anderen. Zo zoekt hij, na een verblijf van anderhalf jaar in Amerika en op doorreis naar Brussel, wel Annies overburen op, met wie hij blijkbaar bevriend is, maar niet Annie zelf, die hier natuurlijk van hoort en er kapot van is. Uit het stuk van Dekker rijst het beeld op van een wat wankele, eigenzinnige jongeman die de verliefdheid en de zorg van de al heel jong als schrijfster gevierde Annie Salomons wel aardig vindt, maar daar nu niet meteen veel consequenties aan wil verbinden. Het is roerend en een beetje pijnlijk om te lezen hoe zij haar best doet om hem een gevoel van superioriteit te geven, hoe ze zich klein maakt, haar eigen talent afkamt (“ik ben verwend en geprezen, en vergood, thuis m'n oppervlakkige liefheid, door vreemden m'n oppervlakkig talent...”) en hem smeekt om haar wat te leren: “Geef me wat van je gedachten, zeg me, wat ik lezen moet, wat jij leest.”

In 1908, Annie is dan tweeëntwintig ziet ze kans haar geliefde ongechaperonneerd op te gaan zoeken in Brussel. Dekker laat aan de brief die Annie na die ontmoeting schrijft enigszins merkwaardige zinnen voorafgaan: “Tegenwoordig wordt met veel dédain en afschuw over de ingedikte moraal van toen en over chaperonnerende gouvernantes gedacht, ik voor mij ben van mening dat hierin een waardevol sociaal instituut verloren is gegaan. Zonder wakend oog verglijdt immers elke beheersing.” Wat er zo geweldig is aan eeuwige beheersing vermeldt Dekker niet, maar het is wel duidelijk dat het niet zijn instemming heeft dat de jongelui met elkaar naar bed zijn geweest: “Alles ging nu eenmaal zoo, vanzelf... en eerst donderdagmorgen was de betoovering verbroken; en ik werd wakker, 'n beetje moe, 'n beetje droevig, én heel rijk en gelukkig. Ik heb geen spijt.” Goed zo Annie. Laat je door meneer Dekker geen spijt aanpraten.

Al even mooi en droevig tegelijk is het stuk dat Kees Mercks wijdt aan de onlangs overleden Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal wiens (voortreffelijke) vertaler hij is. Hrabal, de man van de overvloedige en vitale, lange opeengestapelde zinnen, blijkt als jongeman al eens een zelfmoordpoging te hebben ondernomen en vaak met gedachten aan een zelfgekozen dood rondgelopen te hebben. Het maakt zijn einde, door een val - of een sprong? - uit het raam van een ziekenhuis omdat hij de duiven wilde voeren, nog geheimzinniger. Mercks schrijft over de zelfmoord, de mythe van de val of duik in het werk van Hrabal en over het bewonderenswaardige Tsjechische vermogen tot bierdrinken, dat bij Hrabal, zowel op schrift als in de werkelijkheid tot zeer grote hoogte opgevoerd was. In het boek Vita Nuova waarvan de vertaling dit najaar zal verschijnen, wordt het bierdrinken tot een sacrale handeling, gelijk aan de eucharistieviering, wat, zo schrijft Mercks, voor de Duitse uitgever aanleiding is geweest om het bewuste hoofdstuk weg te laten: “en engeltjes brachten het bier rond maar dat zijn geen biertjes dat is de heilige eucharistie en die eigenaar in wit habijt dat moet de heilige Petrus zijn (-) en de bierdrinkers dat waren gelovigen (-) en zij ontvingen het lichaam en het bloed des Heeren in de gedaante van pittig pils en roomzacht schuim...” Je zou er bierdrinker van worden. En Hrabal-lezer natuurlijk, voor wie dat nog niet was.