Socioloog Wilhelm Heitmeyer: 'De islam wordt de Heimat voor jonge Turken'

Wilhelm Heitmeyer wordt wel Duitslands 'specialist in geweld' genoemd. Hij onderzocht de drijfveren van rechts-extremisten, en nam onlangs Turkse jongeren onder de loep: 'normalo's' die hun heil echter steeds vaker bij fundamentalistische organistaties zoeken. 'Als deze jongeren van de samenleving worden uitgesloten, ziet het er bijzonder problematisch uit.'

Op een vrijdagmiddag in april voltrok zich het drama in de Wambeler Holz, een straat in Dortmund waar veel Turken wonen. Een brand op nummer 17 doodde een jonge Turkse moeder en haar twee zoontjes.

Kort na de brand verzamelden Turkse jongeren zich uit de buurt. In Turkse kranten hadden ze gelezen dat vreemdelingenhaat in het spel zou zijn. Drie jongens beweerden, dat de brand door Duitse bouwvakkers was aangestoken, nadat zij de moeder hadden verkracht. De jongeren kookten van woede. Ze hielden een protesttocht in de stad; met hun auto's veroorzaakten zij een chaos en versperden ze de wegen. Bijna zestig Turken werden door de politie opgepakt; er werden messen en molotov-cocktails in beslag genomen. Maar niet lang daarna bleek de brand door de kinderen zelf veroorzaakt. In een slaapzak vond de politie een wegwerpaansteker. De drie zogenaamde getuigen bleken het verhaal van de bouwvakkers te hebben verzonnen, en trokken hun verklaring in. Met vijandigheid tegen buitenlanders had deze tragedie niets te maken.

Ook in Krefeld, vlak over de grens bij Venlo, waar op tweede paasdag een Turkse moeder en haar twee kinderen bij een brand om het leven kwamen, werd aanvankelijk gedacht aan een aanslag door extreem-rechts. 'Gisteren in Mölln, vandaag in Krefeld', stond op de borden die woedende betogers met zich meedroegen. Turkse kranten beschuldigden Duitsland en met name bondskanselier Helmut Kohl van 'nazipraktijken'. De Turkse minister van Binnenlandse Zaken zei: “Ze kunnen ons er niet uitgooien, dus verbranden ze ons nu.” Zo ontstonden grote spanningen tussen de regeringen in Ankara en in Bonn. Maar uiteindelijk werd bekend dat de vader zijn eigen huis in brand had gestoken.

“De situatie in wijken waar veel Turken wonen, is licht ontvlambaar”, zegt de socioloog Wilhelm Heitmeyer (51). Hij is verbonden aan de universiteit van Bielefeld, vlakbij Dortmund. De grauwe betonnen kolos van de universiteit herbergt de grootste en meest toonaangevende sociologische faculteit van Europa. Heitmeyer, een typische Aufsteiger die door hard studeren opklom van zetter tot hoogleraar, leidt er nu het Instituut voor interdisciplinair Conflict- en Geweldsonderzoek. Hij wordt wel Duitslands 'specialist in geweld' genoemd. “Er hoeft maar íets te gebeuren of de emoties lopen hoog op”, zegt Heitmeyer. “Als tijdens de protesttocht in Dortmund toevallig een aantal voetbalfans een bierflesje naar de demonstranten had gegooid, was het tot wilde vechtpartijen gekomen. Op sommige plaatsen is het klimaat erg gespannen.”

Toen Duitsland enkele jaren geleden werd opgeschrikt door een serie aanslagen van Duitse jongeren tegen buitenlanders en joden (Rostock, Solingen, Mölln) schakelde het ministerie van Justitie Heitmeyer in. In de jaren tachtig was van dergelijke geweldsexplosies nog geen sprake; Heitmeyer moest onderzoeken wat de mogelijke oorzaken konden zijn van het feit dat Duitse jongeren nu plotseling zo gewelddadig werden.

Hij interviewde 170 jonge Duitsers, die allemaal schuldig waren bevonden aan gewelddadigheden tegen buitenlanders en joden. Eerder al onderzocht hij in Bielefeld de beweegredenen van rechtsextremistische jongeren. Zijn conclusies waren opmerkelijk: uit teleurstelling over hun werk zijn juist jongeren mét een baan eerder geneigd tot extremistisch gedrag dan jongeren die werkloos zijn geworden.

In tegenstelling tot wat vaak werd aangenomen blijkt rechtsextremistisch geweld in Duitsland niet toe te nemen als gevolg van een groeiend aantal buitenlanders. Het aantal aanslagen op allochtonen in Oost-Duitsland is sinds de eenwording relatief gegroeid, terwijl nog geen procent van de buitenlanders daar woont. In Frankfurt am Main, waar een kwart van de bevolking allochtoon is, bleven aanslagen tot nu toe juist uit.

Heitmeyer concludeerde dat de toename van rechtsextremistisch geweld is te wijten aan 'sociale destructieprocessen': factoren als toenemende armoede en werkloosheid, verstoorde gezinsverhoudingen en een gebrek aan overheidsbeleid gericht op jongeren leiden tot wat door Oostduitsers een 'ellenbogenmaatschappij' wordt genoemd. Onvrede daarover veroorzaakt excessen.

Tijdbom

Onlangs verscheen een nieuwe studie van Heitmeyer. Verlockender Fundamentalismus is een onderzoek naar Turkse jongeren, de zogenoemde 'slachtoffers' van extreem-rechts. “Het was niet aannemelijk dat zij zich steeds als slachtoffer zouden blijven gedragen”, zegt Heitmeyer in zijn sobere kamer, hoog bovenin het instituut. In een periode van twee jaar werden in Noordrijn-Westfalen 1.200 Turkse jongeren van 15 tot 21 jaar ondervraagd. “Normalo's”, zegt Heitmeyer. Het waren geen leden van islamitische groeperingen, maar scholieren, jongeren die een beroepsopleiding hadden of een baan zochten.

Woedend is hij op het Duitse weekblad Der Spiegel, dat twee weken geleden met zijn onderzoek in de hand een alarmerend omslagverhaal met de kop Gefährlich fremd publiceerde. Daarin werd de indruk gewekt dat de 600.000 jonge Turken en de 500.000 kinderen van Aussiedler (uit de vroegere Sovjet-Unie afkomstige Duitsers) een 'tikkende tijdbom' in de Duitse steden vormen. Deze week reisde Heitmeyer naar Hamburg om het invloedrijke opinieweekblad erop te wijzen dat zijn onderzoek zó niet mag worden misbruikt. “Alsof plotseling àlle Turkse jongeren of mensen in hun omgeving criminelen zouden zijn. Dat is onzinnig.”

Uit Verlockender Fundamentalismus blijkt onder meer dat er een nadrukkelijke samenhang bestaat tussen geweld tegen buitenlanders en de politieke en religieuze voorkeuren van Turkse jongeren. Na de aanslag in het Noordrijn-Westfaalse Solingen in 1993 bijvoorbeeld, toen vijf Turken om het leven kwamen bij een neonazistische aanslag, hebben bijeenkomsten van de extreem-nationalistische Turkse beweging 'Grijze Wolven' een enorme toeloop van jongeren gehad, zegt Heitmeyer. “We willen goed en sterk zijn”, is een opmerking van jonge Turken die in het onderzoek steeds terug komt.

Heitmeyer onderzocht ook welke onderhuidse conflicten zich binnen de Turkse samenleving ontwikkelen. “Als een samenleving geen weet heeft van de eigen conflicten, kan onder de oppervlakte een groot potentieel van onvrede ontstaan”, zegt hij. Soms signaleert Heitmeyer ontwikkelingen al in een zo vroeg stadium, dat ze in het maatschappelijk leven nog nauwelijks zijn opgevallen. Toen zijn onderzoek naar extreem-rechts werd gepubliceerd, waren de eerste reacties dan ook afwijzend - het kón niet waar zijn, was de heersende opvatting.

Nu rekent Heitmeyer af met de veronderstelling dat religie in het Westen geen massabeweging meer op de been zou kunnen brengen. Voor het overgrote deel van de Turkse jongeren - 68 procent - blijkt de islam juist een zeer grote betekenis te hebben. In plaats van de verwachte secularisering 'islamiseert' deze derde generatie, die in Duitsland is geboren, in sterke mate. Menigeen had verwacht dat ze de aanpassingsproblemen van hun vaders en grootvaders zouden overwinnen, en dat ze volkomen in de Duitse samenleving zouden integreren. Maar het tegendeel gebeurde: ruim de helft van de onderzochte jongeren spreekt nu van “islamitische superioriteitsgevoelens”.

Volgens Heitmeyer heeft dit te maken met een groeiend zelfbewustzijn onder Turkse jongeren. “Ze verwijten hun opa's dat ze zich hebben laten onderdrukken. Zij willen terug naar hun eigen culturele identiteit, tegelijkertijd willen ze hier in het Westen leven. Meer dan tweederde vindt dat de islam en het leven in een moderne maatschappij kunnen samengaan.”

Fundamentalistische normen

Het meest werd Heitmeyer tijdens zijn onderzoek verrast door het feit dat bijna eenderde van de Turkse jongeren, gesteund door de islam, bereid blijkt geweld te gebruiken. Sommigen vinden dat bepaalde vormen van alledaagse discriminatie met geweld mogen worden beantwoord. “Als een Duitser roept dat Turken stinken, ja, dan zou ik hem in elkaar slaan”, zegt bijvoorbeeld een 18-jarige Turkse scholier. Anderen menen dat ze zich in verband met het geweld tegen buitenlanders moeten wapenen; dat kan variëren van het gebruik van traangas tot een gaspistool. “Als de staat niets doet en de politie laat het ook afweten, moeten we ons bewapenen”, is een van de reacties van de ondervraagde jongeren. Anderen verklaren na de aanslagen in Solingen en Mölln een pistool te hebben aangeschaft voor het geval de familie of het huis wordt aangevallen.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de bereidheid geweld te gebruiken en het daadwerkelijk plegen van geweld, vindt Heitmeyer. De kans op escalatie is afhankelijk van politieke organisaties, de media en de politiek-culturele elite. Zo ontdekte hij dat Turkse journalisten op de hoogte waren van de valse getuigenissen over de brand in Dortmund. Desondanks werd het eerder genoemde artikel gepubliceerd. Vervolgens liep de situatie uit de hand. Heitmeyer is ontzet. “Wie heeft er belang bij als zoiets wordt gepubliceerd?”

In wijken die Heitmeyer 'licht ontvlambaar' noemt, wijken waar veel Turken wonen zoals Marxloh in Duisburg, Wilhelmsburg in Hamburg, Wedding in Berlijn of Norden bij Dortmund - neemt hij een forse groei in het ledenaantal van islamitische organisaties waar. Volgens de Verfassungsschutz, de binnenlandse veiligheidsdienst, neemt ook het aantal radicale islamitische organisaties dat vijandig staat tegenover de Duitse staat toe. Zij hebben één doel: de verspreiding van de islam. Ook Milli Gürös wordt hiertoe gerekend. Deze organisatie, die eveneens in Nederland actief is, maakt zich sterk voor de partij van de Turkse islamitische premier Erbakan. In de Bondsrepubliek wonen ruim zeven miljoen buitenlanders. Drie miljoen van hen is islamiet, twee miljoen van Turkse komaf. Met ruim 26.500 leden is Milli Gürös de grootste extreem-islamitische organisatie in Duitsland.

“Islamitische organisaties als Milli Gürös spelen een dubbelrol”, zegt Heitmeyer. “Radicale islamieten hitsen jongeren op tegen de Duitse, zogenaamde 'multiculturele' samenleving. Ze propageren fundamentalistische normen en waarden als gehoorzaamheid aan de ouders en een verbod op werk door meisjes, omdat dat een probaat middel tegen een ontbindende samenleving zou zijn. Bij jongeren die zich afvragen wie ze zijn, vinden dergelijke organisaties een willig oor.”

Begrip

Zo binden radicale groeperingen de jeugd aan zich. Milli Gürös is overal actief, met onder meer lezingen en discussiebijeenkomsten: bij de voetbalvereniging, op karate-cursus, in woonwijken en fabrieken. De islam wordt zo voor vervreemde jongeren een Heimat, die geen paspoort verlangt en hun een plaatsvervangende familie geeft. In de praktijk is de scheidslijn tussen de moskee en het partijbureau nauwelijks te trekken.

Nog stellen de islamitische organisaties zich overwegend vreedzaam op. Heitmeyer: “Maar wat gebeurt er als het beleid verandert?” Hij maakt zich zorgen over de parallelle ontwikkeling van een Turkse samenleving náást de Duitse. Nu al komen steeds meer Turkse kinderen in problemen omdat ze de Duitse taal niet kennen. In sommige Turkse wijken zoals die in Duisburg, Hamburg, Berlijn en Dortmund hebben Turken een geheel eigen infrastructuur opgebouwd, met eigen scholen en eigen winkels. “Zodra zij zich op een dag in die 'andere' maatschappij begeven, wordt het moeilijk. Dat moment komt. Want de etnische economie kan niet iedereen opnemen”.

De boodschap van Heitmeyers studie is eenduidig: alle inspanningen moeten erop gericht zijn de huidige situatie te verbeteren, en alle middelen moeten worden ingezet om de integratie te versnellen. “Want hoe groter de desintegratie, hoe sterker de neiging tot islamisering. Hoe geringer de kansen voor deze jongeren in de maatschappij zijn, des temeer neigen ze naar fundamentalistische opvattingen. Dagelijks bespeuren ze hun zwaktes: dat ze niet zouden deugen, niet welkom zijn, niet worden erkend. Door het sterke voorbeeld van de islam worden de eigen tekortkomingen gecompenseerd.”

In het verleden heerste in Duitsland een opener klimaat, vindt Heitmeyer. De omstandigheden zijn verslechterd, de sfeer is harder geworden. Werk en welvaart moeten worden gedeeld. Dat leidt tot concurrentie en uitsluiting. Zo zijn de mogelijkheden niet groot op een arbeidsmarkt waar 4,5 miljoen mensen geen baan hebben. De werkloosheid onder Turken is twee keer zo hoog als onder Duitsers: bijna een kwart van hen heeft geen baan.

Wat staat de jonge Turken van de derde generatie te wachten? Een deel van hen, vooral meisjes, blijkt op school heel goed te presteren. Zij gaan naar het gymnasium, verbeteren hun eigen kwalificaties. Heitmeyer: “Maar lukt het de maatschappij de lijnen naar gekwalificeerde Turkse jongeren open te houden? Hoe reageren zij als ze ondanks hun hoge inspanningen en beloften over een goede toekomst niets krijgen? Als zelfs deze jongeren, die je als 'winnaars' kunt beschouwen, straks van de Duitse samenleving worden uitgesloten ziet het er bijzonder problematisch uit.”

Want ook op de Turkse intelligentsia oefent het fundamentalisme aantrekkingskracht uit. “In zulke gevallen gaat het niet meer om een sociaal en politiek verzuim van de Westerse samenleving. Als zelfs Turkse Aufsteiger, die zich uit hun milieu hebben weten op te werken, geen perspectief meer hebben, keren ook zij zich tegen de maatschappij.”

Duitsland zal zich moeten inspannen om dit moment voor te zijn. Heitmeyer vertegenwoordigt de schijnbaar tegenstrijdige these dat geweld kan worden verhinderd door conflicten. Hij lacht. “Dat lijkt curieus. Maar als beide partijen gezamenlijk conflicten doorstaan, groeit er in ieder geval belangstelling voor elkaar en kan een nieuwe consensus ontstaan.” Hij wijst op de onrust die de oproep per luidspreker tot gebed in een moskee kan veroorzaken. In de Duisburgse wijk Marxloh leidde dat aanvankelijk tot hevig verzet van de Duitse bewoners. Inmiddels hebben sociaal werkers in de wijk tal van discussies over het thema in het wijkcafé georganiseerd in de hoop het wederzijdse begrip voor elkaars standpunten te vergroten.

Men hoeft het niet met elkaar eens te worden, als er maar begrip ontstaat, meent Heitmeyer. Belangrijk is volgens hem dat problemen tussen Turken en Duitsers vroegtijdig worden aangekaart zodat ze geen onderhuids eigen leven gaan leiden en er plotseling erupties ontstaan. Als Turken en Duitsers zo geïsoleerd en gescheiden naast elkaar leven dat er geen gezamenlijke belangen meer zijn, dan lopen bepaalde situaties eerder uit de hand. “De multiculturele samenleving is geen ononderbroken straatfeest. Er zullen altijd conflicten plaatshebben, zolang de culturele nieuwsgierigheid naar elkaar ontbreekt. De politici in Bonn reageren autistisch. Ze hebben zich afgesloten voor de problemen.”

Veel politici zien buitenlanders, vooral Turken, nog steeds als gastarbeiders, stelt Heitmeyer. “Er worden fantoomdiscussies gevoerd. In plaats van aan integratie te werken, wil Bonn de rechten van buitenlanders juist beperken en wordt afgekoerst op een harder immigratiebeleid. Het is de hoogste tijd toe te geven, dat ook de Bondsrepubliek een immigratieland is.”