Fossiele 'missing link' tussen hagedissen en slangen herkend

De afstamming van slangen is nog steeds niet goed duidelijk. Meestal wordt aangenomen dat hun voorouders een vroege vorm van hagedissen waren (Squamata), maar onduidelijk is waarom geen enkele slang dan nog duidelijk ontwikkelde poten heeft.

Het ziet er nu echter naar uit dat er een soort missing link is gevonden: een primitieve slang met poten, die omstreeks 100 miljoen jaar geleden (in het Cenomanien) leefde. Het gaat daarbij niet om de vondst van een nieuwe soort, maar om een andere interpretatie van een bekend fossiel (Pachyrhachus problematicus). Zoals de naam al aangeeft, was dat fossiel niet goed in te delen, maar tot nu toe werd het beschouwd als een tot de groep der varanen behorende hagedis. De nieuwe interpretatie (Nature, 17 april) berust op de vondst van twee nieuwe fossiele exemplaren in een kalksteengroeve zo'n 20 km ten noorden van Jeruzalem. Deze fossielen (die aanvankelijk aan twee verschillende geslachten werden toegeschreven, maar die bij nadere studie waarschijnlijk tot slechts één soort bleken te behoren - en dus ook één geslacht) zijn zo goed bewaard gebleven dat er tal van details te onderscheiden zijn die bij eerdere exemplaren ontbraken. Zo blijkt dat de huid grote overeenkomst vertoont met die van moderne slangen, en dat het lichaam eenzelfde soort vorm moet hebben gehad. Er zijn echter anatomisch duidelijke verschillen: een duidelijk ontwikkeld bekken, heiligbeen en achterpoten (met dijbeen, scheenbeen en kuitbeen), doen veel meer aan hagedissen denken. Op basis van de diverse kenmerken delen de onderzoekers het fossiel nu in bij de mosausauroïde slangen. Een (verre) verwant dus van de Mosasaurus uit het Nederlandse Krijt, die echter zeker niet tot de slangen mag worden gerekend.

Hoewel iedere indeling arbitrair is, zijn de argumenten van de onderzoekers om Pachyrhachus bij de slangen in te delen, goed gefundeerd. Daarmee vertegenwoordigt dit geslacht de meest primitieve slang die tot nu toe bekend is. Gezien de gesteenten waarin de fossielen werden gevonden (een in een ondiepe zee gevormde kalksteen), mag met vrijwel 100 procent zekerheid worden aangenomen dat de desbetreffende dieren in zee leefden. In hoeverre ze daarbij nog gebruik maakten van hun ledematen, is nog onduidelijk. Waarschijnlijk waren het, gezien hun lichaamsvorm, hoofdzakelijk zwemmers; dat is ook in overeenstemming met de kennis die bestaat over de levenswijze van de gelijkertijd in zee levende hagedis-achtigen, zoals de aigialosauriërs, de mosasauriërs en de coniasauriërs.