Sebastian Haffner: Anmerkungen zu Hitler, 1978

Sebastian Haffner: Anmerkungen zu Hitler. Fischer Verlag.ƒ 16,25 Kanttekeningen bij Hitler/Churchill. Prometheus. ƒ 30,90

Jaren voordat de filosoof Ernst Nolte met zijn theorie over de chronologische causaliteit tussen bolsjevisme en nazisme de Historikerstreit ontketende, plaatste de journalist Sebastian Haffner reeds de nodige kanttekeningen bij de Hitler-historiografie die op dat moment in de Bondsrepubliek opgeld deed. Zijn Anmerkungen zu Hitler veroorzaakte een schok. Niet omdat Haffner alles omdraaide, maar omdat hij als eerste na 1945 voor een groot publiek een beeld wist te schetsen van de Führer. Een beeld dat historiserend was, zonder dat het de Duitsers an sich vrijpleitte, een beeld dat het grootste volk van Europa een spiegel voorhield, zonder dat het de Duitsers dwong tot permanente boetedoening en de buren tot eeuwige tevredenheid.

Toen Nolte medio jaren tachtig de stelling poneerde dat Auschwitz het 'aziatische' antwoord was op de 'aziatische' Goelag, zweeg Haffner echter nadrukkelijk. Nolte had de historiografische meningsvorming volgens hem 'bedorven' met een 'onzinnige' these. Alleen al de inhoud van Mein Kampf sprak Nolte tegen, om maar te zwijgen van de implementatie ervan, en dus was er 'niets verstandigs meer te zeggen'. Haffner wilde niet kiezen voor de benadering van Nolte, die de jodenvervolging plaatste in een 'Europese burgeroorlog', noch voor de visie van diens tegenstanders, die zich verschansten achter de uniciteit van de periode 1933-1945.

Misschien is Anmerkungen zu Hitler daarom ook ná de Historikerstreit en het recente Goldhagen-debat nog altijd een studie die verwarring zaait. De wijze waarop in dit boek menselijke moraal en feitelijke politiek continu met elkaar in conflict zijn, noopt de lezer voortdurend tot tegenspraak. Net als die zijn gedachten op een rij heeft, is Haffner hem echter al weer te vlug af.

Dat heeft te maken met zijn stilistische kwaliteiten. Als geen ander toont Haffner zijn meesterschap in de beperking. Zo stelt hij bijvoorbeeld het probleem van zijn hoofdpersoon: 'Hitler leefde van 20 april 1989 tot 30 april 1945, dus iets meer dan zesenvijftig jaar, minder dan de gemiddelde levensduur.Tussen de eerste dertig jaar en de volgende zesentwintig jaren schijnt een onverklaarbare kloof te liggen. Dertig jaar lang een obscure mislukkeling, vervolgens bijna onmiddellijk een lokale politieke grootheid en ten slotte de man om wie de hele wereldpolitiek draait.' Bovendien is Haffners kennis van het bronnenmateriaal en de secundaire geschiedschrijving fenomenaal. Ook in zijn andere boeken (over Churchill maar vooral de relatie tussen Pruisen en Duitsland) bedrijft hij tertiaire historiografie op het hoogste niveau.

Er is een verband met Haffners persoonlijke geschiedenis. Hij begon pas boeken te schrijven toen hij tegen de zestig liep. Hij kon toen putten uit een lange loopbaan als journalist en historisch essayist in respectievelijk wilhelminisch Berlijn, nazistisch Berlijn, Londen (als balling en later als Brits staatsburger) en verdeeld Berlijn.

In Anmerkungen zu Hitler komen al deze kennis en levenservaring samen. In nog geen 200 pagina's weet hij de twintigste eeuw te schetsen aan de hand van de belangrijkste actoren. En hij doet dat in hoofdstukken die provocerende titels hebben als 'Leven', 'Prestaties', 'Successen', 'Vergissingen', 'Fouten', 'Misdaden' en 'Verraad'. Prestaties en successen? Kan iemand als Hitler dan iets gepresteerd hebben? Ja, dat kan. Fouten? Is dat geen eufemisme voor misdaden? Nee, want fouten zijn politiek en misdaden crimineel. Verraad? Aan de slachtoffer van zijn misdaden? Nee, aan Duitsland. Maar is dat dan geen variant op het 'ich habe es nicht gewusst'? Wederom: nee.

De kern van het antwoord ligt besloten in Hitler zelf en de manier waarop hij opereerde. Alle enkelvoudige begrippen om hem te duiden, zijn tot mislukken gedoemd. Hitler was geen kunstenaar, geen politicus en al helemaal geen staatsman. Hij was naar eigen zeggen simpelweg 'onvervangbaar': 'Het lot van het rijk hangt uitsluitend van mij af.'

In de eerste negen jaar van zijn macht profiteerde Hitler van deze rol. Het Duitse volk droeg hem op handen. Volgens Haffner lag de sleutel daarvoor niet zozeer in de crisisjaren vóór 1933 maar in de jaren nà de Machtsübernahme. Eenmaal aan de macht 'bewees Hitler een bijzonder energieke, inventieve en efficiënte figuur te zijn'. Zijn talent was om 'goed functionerende machtsapparaten te stichten' die de traditionele maatschappelijke orde - tijdens Weimar in het ongerede geraakt - razendsnel in hun greep wisten te krijgen. In de jaren dertig gooide Hitler 'omver wat al viel', niet met het instinct van de adelaar maar met dat van de gier. Met het sociaal-economische beleid, in de eerste plaats het werk van de 'tovenaar' Hjalmar Schacht, kegelde hij de standen-maatschappij omver. Op vergelijkbare wijze wist Hitler de 'schande' van Versailles om zeep te helpen. Hij begreep de verdeeldheid in het anti-Duitse kamp en profiteerde daar genadeloos van. Duitsland is namelijk altijd te groot geweest voor al zijn vijanden apart en, omgekeerd, te klein voor alle vijanden gezamelijk. En met zijn antisemitisme tenslotte appelleerde hij aan oude sentimenten in brede lagen van het volk.

De gemiddelde Duitser was anno 1939 tevreden. Precies tien jaar na Anmerkungen zu Hitler zou Bondsdagvoorzitter Jenninger in een rede ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Kristallnacht, waarin hij min of meer hetzelfde betoogde, tot aftreden worden gedwongen.

Op zichzelf, aldus Haffner, waren het völkische aspect noch het antisemitisme en racisme van de nazi's in deze jaren uniek. Het unieke was het kokende mengsel dat Hitler van zijn rassen-theorie, antisemitisme en staatsopvattingen brouwde. Dit 'hitlerisme', waarin allerlei losse elementen zonder enige logica door elkaar werden gehusseld tot er een misdadig én irrationeel bezinksel overbleef, zette nu alles op zijn kop. Van enige traditionele ordening was geen sprake meer. Zelfs de klassieke staat, gesymboliseerd door Pruisen, schafte hij af.

Deze anarchie onder éénhoofdige leiding bood hem de kans iedereen tegen elkaar uit te spelen en uiteindelijk strikte loyaliteit aan zijn liquidatie-plan tegen de joden af te dwingen. Ook de Wehrmacht deed naar hartelust mee, zeker in Rusland, schrijft Haffner twintig jaar voordat er in Duitsland over de collaboratie door het reguliere leger commotie zou ontstaan.

Met het verdedigen van nationale belangen had dit echter niets te maken. 'Vanaf eind 1941 bedreef hij geen Duitse politiek meer', aldus Haffner, en openbaarde zich Hitlers 'verraad' jegens het land waar het hem naar eigen zeggen allemaal om te doen was. Ondanks zijn eclectische vijandbeeld - op grond waarvan hij de joden, zigeuners, bolsjevieken, homoseksuelen alsmede de slavische volkeren en vooral hun intelligentsia liet uitmoorden - was zijn laatste daad juist tegen Duitsland zelf gericht. Terwijl in het Oosten het Rode Leger (volgens Hitler toch ook een hoofdvijand) oprukte, liet hij het front daar voor wat het was en ontketende hij in het Westen (de Ardennen) zijn laatste offensief. Vlak na het begin van de oorlog tegen de Sovjet-Unie had Hitler al gezegd dat hij geen traan zou laten als het Duitse volk niet sterk genoeg zou zijn om zich met zijn eigen bloed voor zijn bestaan op te offeren. 'Nu was het zover en meende hij het ernstig. (...) Zijn eerzucht voor Duitsland ging meer en meer lijken op de eerzucht van een fokker of een renstalbezitter voor zijn paarden. En ten slotte handelde Hitler als een driftige, ontgoochelde renstalbezitter die zijn beste paard laat doodranselen omdat het niet in staat is geweest de race te winnen.'

Hier spreekt de ouderwetse Berliner, die zijn bewondering voor de Vernunftstaat Pruisen van Bismarck nimmer onder stoelen of banken heeft gestoken en Hitler als Oostenrijker is blijven zien. Hier is de man aan het woord die later de stelling zou betrekken dat Duitsland na 1870 niet verpruist is maar Pruisen verduitst.

Haffner eindigt Anmerkungen zu Hitler niet toevallig met een gedachtengang die pas na 1989 goed tot het buitenland is doorgedrongen. Het hitlerisme heeft dertig jaar na dato geen kans meer in Duitsland. 'Dat is maar goed ook. Minder goed is het dat de herinnering aan Hitler door de oudere Duitsers is verdrongen en dat de meeste jongeren helemaal niets meer van hem weten. En nog minder goed is het dat veel Duitsers sinds Hitler niet vaderlandslievend meer durven te zijn. Want de Duitse geschiedenis is met Hitler niet ten einde. Wie het tegendeel gelooft en daar misschien zelfs plezier in heeft, weet helemaal niet hoe goed hij daarmee Hitlers laatste wil vervult.'

Wat schrijvers als Martin Walser, Peter Sloterdijk en Botho Strauss eind jaren tachtig gingen betogen - auteurs die ieder voor zich afscheid hebben genomen van de deemoed in de naoorlogse Duitse literatuur - schreef de nu negentigjarige Haffner al twintig jaar geleden.