BO WIDERBERG 1930-1997; De tegenpool van Bergman

Het is ironisch dat de Zweedse film- en theaterregisseur en romancier Bo Gunnar Widerberg (66) gisteren in Ängelholm overleed op de feestdag van de internationale arbeidersbeweging. Op 1 mei 1969 ging ook Widerbergs meest controversiële film in première. ©1Adalen '31, over een door de conservatieve regering 38 jaar eerder bloedig neergeslagen staking, zou zelfs in het sociaal-democratische Zweden van premier Olof Palme veel oude wonden openrijten. De film won dat jaar in Cannes de Speciale Juryprijs.

Twee jaar later regisseerde Widerberg in de Verenigde Staten, in plaats van de hem aangeboden verfilming van F. Scott Fitzgeralds The Great Gatsby opnieuw een sociaal geëngageerde film, Joe Hill over een geëxecuteerde vakbondsleider. Toch was Widerberg geen politiek pamflettist; daarvoor zijn zijn films ook te geësthetiseerd, soms bijna plaatjesboekachtig. De keuze van Mozarts 21ste pianoconcert als begeleiding van de kostuumfilm Elvira Madigan (1967) leidde tot een tophit en een renaissance van de romantische filmmuziek.

Widerberg nam het in zijn films altijd op voor sterke individualisten; zijn politieke stellingname had vooral te maken met zijn afkomst, als zoon van een autodidactische handelsreiziger uit Malmö. Dat milieu werd door hem geportretteerd in zijn tweede film Ravenkwartier/Kvarteret Korpen (1963) en tot op zekere hoogte in Lust och fägring stor/All Things Fair (1996). Toen Widerberg, na een succesvolle carrière als romancier in de jaren vijftig, zich met film ging bemoeien, aanvankelijk als recensent in de krant Expressen, zette hij zich sterk af tegen de hegemonie van Ingmar Bergman. Die was in alle opzichten Widerbergs tegenpool: afkomstig uit de hoofdstad, uit een conservatief-religieus milieu en geobsedeerd door thema's als schuld, geestelijke leegte en het zwijgen van God. Bergman kreeg er van langs in Widerbergs boek Visionen i Svensk film (1962); toen de auteur een jaar later zijn wild vormgegeven low-budgetdebuut maakte met De kinderwagen/Barnvagnen, bleef de analogie met de Franse Nouvelle Vague niet onopgemerkt.

In oktober 1996 presenteerde Widerberg op het festival van Gent All Things Fair, goed voor een derde Oscarnominatie en een soort rehabilitatie na vijfentwintig jaar weinig en wisselvallige films te hebben gemaakt (alleen de Sjöwall-en-Wahlöoverfilmingen De man op het dak/Mannen p©1a taket en De man van Majorca/Mannen fr©1an Mallorca waren anoniem vormgegeven hits). Bij die gelegenheid zei Widerberg geen spijt te hebben van zijn oude vendetta tegen Bergman: “Die man staat nog steeds buiten de maatschappij. Hij weet niet eens hoe een arme er uitziet”.

All Things Fair was opnieuw een familieaangelegenheid; na in andere films een zoon en een dochter de hoofdrol te hebben gegeven, speelde nu zijn 20-jarige zoon Johan Widerberg de autobiografische hoofdrol van een scholier die in de jaren veertig een affaire heeft met een lerares en door haar echtgenoot, een handelsreiziger, klassieke muziek leert waarderen. 'Zonder muziek zou ik niet hebben kunnen leven', zei Widerberg vorig jaar: 'Misschien vind ik het nog belangrijker dan film of literatuur'.

Het aanzien van de jonge Zweedse film uit de jaren zestig (Widerberg, Jan Troell, Jan Halldoff, Mai Zetterling) is in de loop van de tijd nogal gedaald. Zelfs de in cameravoering en overige vormgeving bijna weer eenvoudig te noemen All Things Fair werd in het buitenland vaak afgedaan als 'ouderwets'. Widerbergs comeback zou zijn laatste film blijken. Het is wel degelijk een soort testament, terecht niet helemaal onopgemerkt gebleven, voor zijn opvattingen over film. Voor Widerberg moest de cinema populair zijn, menselijk, meeslepend, individualistisch en, zou je bijna kunnen zeggen, democratisch.