Actualiteit moet herdenking 4 en 5 mei niet vertroebelen

Al kan het rouwen van nabestaanden hetzelfde zijn, de politieke beoordeling van de gelegenheden waar oorlogsslachtoffers zijn gevallen verschilt. Ph. P. Everts vraagt zich af of het herdenkingsmotto 'zij vielen niet tevergeefs' altijd op zijn plaats is. Een pleidooi voor een andere vorm van herdenken.

Moeten we nog steeds herdenken en de bevrijding vieren? Met een zekere regelmaat klinkt niet alleen de vraag hoe wij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog moeten gedenken en de Bevrijding van mei 1945 vieren, maar ook de principiële vraag of zulk soort herdenkingen nog nuttig zijn. Dat ze nog steeds plaats vinden, ondanks de vraagtekens die sommigen erbij zetten, komt niet alleen doordat in elk geval de jongsten van de generatie die de oorlog bewust heeft meegemaakt en er onder heeft geleden nog onder ons zijn en door de actualiteitswaarde van de geschiedenis. Even belangrijk is waarschijnlijk dat er sinds 1945 in ons land geen andere gebeurtenis of ontwikkeling heeft plaats gevonden die de rol van mijlpaal en ijkpunt heeft kunnen overnemen. Nog steeds is er geen equivalent van de waterscheiding tussen vóór en ná de oorlog. Iedereen weet ook wat met die uitdrukking bedoeld wordt. De oorlog is nog steeds het ijkpunt voor 'goed' of 'fout', of men deze nu heeft meegemaakt of zich achteraf afvraagt wat men zelf gedaan zou hebben.

Twee jaar geleden, bij de vijftigste herdenking van de bevrijding, is de zin van het herdenken voor het laatst aan de orde geweest. Er is toen een naar mijn gevoel te gemakkelijk antwoord gegeven. Het herdenken zou door moeten gaan zolang de slachtoffers en hun nabestaanden daar behoefte aan hebben. En 5 mei zou door het beklemtonen van de historische continuïteit en actualisering duidelijk moeten maken wat bevrijding en vrijheid betekenen. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei is sindsdien doorgegaan met de jaarlijkse doden-herdenkingen en de vieringen van de Bevrijding, waarbij de verschillende grondwaarden van onze samenleving centraal staan, zoals verdraagzaamheid, de strijd tegen elke vorm van discriminatie en de politieke en sociale grondrechten.

Op het eerste gezicht lijkt dat een goede en verstandige oplossing. Het herdenken moet doorgaan zolang de herinnering aan de gevallenen nog bestaat. Ook de betrokkenen vinden dat, en de opkomst bij de verschillende herdenkingen laat zien dat de behoefte daaraan ook niet afneemt. Integendeel. De tand des tijds lijkt de wonden eerder verder open te halen dan te helen.

Toch roept dit vragen op. Want welke doden herdenkt men eigenlijk? Voor een niet onaanzienlijke en vaak vergeten minderheidvan ons eindigde de oorlog pas op 15 augustus, toen een einde kwam aan de oorlog tegen Japan. Ook is voor velen onduidelijk dat de doden, voor wie het Nationaal Monument op de Dam is opgericht, niet alleen degenen zijn die in de jaren '40-'45 vielen, maar ook de militairen die nadien in Nederlandse dienst sneuvelden, tijdens de politionele acties in Indonesië, in Nieuw Guinea, in Korea en in meer recente acties van de VN.

Al kan het rouwen van nabestaanden in alle gevallen hetzelfde zijn (wat overigens ook voor de nabestaanden geldt van hen die voor de Duitsers kozen - ook kinderen van NSB'ers zijn in die zin 'oorlogsslachtoffers'), die vergelijkbaarheid geldt niet voor de politieke beoordeling van de offers die zijn gebracht. Bestaat er voor de slachtoffers van '40-'45 nog eensgezindheid over dat zij zijn gevallen 'voor de goede zaak', dat ligt anders voor de slachtoffers in de conflicten daarna.

Ook voor de gevallenen in de jaren '40-'45 kun je overigens de vraag opwerpen of zij allen 'aan de goede kant' stonden. Zo zijn steeds meer gevallen bekend van mensen die op de monumenten voor gevallenen zijn vermeld, die weliswaar als represaille door de Duitsers zijn terecht gesteld, maar die waren opgepakt vanwege bijvoorbeeld hun deelname aan zwarte handel. Om in zo'n geval van 'hun verdiende loon' te spreken gaat te ver, maar men zou er geen posthume erkenning van vaderlandslievend gedrag in mogen lezen.

Het 'zij vielen niet tevergeefs' is echter de gebruikelijke trait d'union tussen 4 en 5 mei, tussen herdenking van de gevallenen en de bevrijding. Dat is evenwel het tweede aspect van de traditie waarbij vraagtekens kunnen worden gezet.

Kan het lijden in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog nog worden geduid en aanvaardbaar gemaakt in ideologische termen van de strijd tegen fascisme en racistische waan - van goed en kwaad -, dat is moeilijker bij de oorlog in de Pacific. Die oorlog is noch van onze noch van Japanse kant primair om ideologische redenen gevochten. De blanke bovenlaag in Nederlands-Indië is geïnterneerd en vervolgd om politieke motieven. Het Japanse regiem was wreed en gevoelloos en het lijden werd vergroot door de vele culturele communicatiestoornissen, maar zijn optreden had een andere achtergrond en was van een andere orde dan wat gebeurde met de joden in de Duitse kampen.

Daar komt bij dat de na-oorlogse ontwikkelingen, de dekolonisatie van Indonesië en de beoordeling van het koloniale beleid, nu een ander licht op de oorlogsjaren werpen - hoe onterecht misschien ook. Als samenleving worstelen we nog steeds met een ongemakkelijke koloniale erfenis en alleen dat al maakt het moeilijker om rechtstreekse lijnen te trekken van 'toen' naar 'nu'.

We zouden dan ook moeten afzien van pogingen om het treuren van en om de slachtoffers te verlichten door daaraan een historische rechtvaardiging te geven. Het 'zij vielen niet tevergeefs' geldt wellicht voor de verzetsdeelnemers en voor hen die omkwamen in militaire of burgerlijke dienst, maar niet voor de joden in de Duitse kampen en ook niet voor de burgers die in Nederlands-Indië en elders in interneringskampen omkwamen. Aan dat lijden kan achteraf geen zin worden gegeven. In dat opzicht ligt er geen band tussen 4 en 5 mei en die moet ook niet worden geconstrueerd door een gekunstelde verbindingsstreep.

Er is nog een bezwaar tegen de huidige herdenkingspraktijk. Het zoeken naar een rechtvaardiging van het lijden en de wens te waarschuwen voor het gevaar van een zich herhalen van de geschiedenis zijn begrijpelijk en legitiem. Maar zij bergen het gevaar in zich dat men, om didactische redenen, datgene wat toen gebeurde gaat beschrijven, uitleggen en beoordelen in termen van nu. Natuurlijk kan de geschiedschrijving zich nooit helemaal onttrekken aan het hedendaagse perspectief, maar juist om de mensen en gebeurtenissen van toen recht te doen zou men moeten proberen die niet los te maken uit hun specifieke en unieke historische kontekst. Voor ons begrip van de geschiedenis is het niet alleen zinvol om overeenkomsten te zien, maar moeten we ook de verschillen waarderen voor wat ze zijn. Voor de Tweede Wereldoorlog geldt dat de gebeurtenissen naar strekking en intensiteit van een eigen en uitzonderlijke orde waren. Woorden schieten tekort om ze te begrijpen. Daar moeten we ons bij neerleggen.

Let wel, de onderwerpen die door het Comité 4 en 5 mei aan de orde worden gesteld, onze grondrechten en de verplichtingen die ze scheppen, met name de noodzaak waakzaam te zijn tegen alles wat ze kan bedreigen, verdienen alle aandacht, en misschien nog meer dan ze plegen te krijgen. Dat de bedoelingen van het Comité goed en zuiver zijn staat buiten kijf. Maar het gaat over de wijze van aanpak. De kwesties waarom het gaat, moeten worden erkend voor wat ze zijn, als zaken waarover in de praktijk verschillend wordt gedacht en die te belangrijk zijn om ze te 'verharmlosen' door ze te bedekken met de beschermende deken van beweerde nationale eensgezindheid en te smoren in het warme gevoel van rood, wit en blauw en de retoriek van Bevrijdingsdag.

Als we niet voortdurend opletten, stromen de democratische rechten als zand tussen onze vingers door. Er wórdt in Nederland gediscrimineerd, asylzoekers zíjn niet welkom, en voor velen houdt de solidariteit met vervolgden en bedreigden bij de landsgrenzen op. Maar het 'nationale' karakter van dagen als 4 en 5 mei vergroot het gevaar dat de neiging wordt versterkt de wereld te zien volgens het onderscheid tussen 'wij' en 'zij', als een strijd tussen de krachten van het licht en van de duisternis 'net als in de oorlog'. De zaken waarom het gaat verdienen beter dan aan de kapstok van 5 mei te worden opgehangen. Over hoe zij wél effectief aan de orde gesteld kunnen worden, daar moet nu de discussie over gaan.