Overtuigende Nederlandse speelfilm over hecht vriendenclubje van voetbalamateurs; Op zondag voor altijd jongetjes van tien

All Stars. Regie: Jean van de Velde. Met: Antonie Kamerling, Danny de Munk, Daniël Boissevain, Peter Paul Muller, Thomas Acda, Raymi Sambo, Kasper van Kooten, Isa Hoes, Daphne Deckers, Ellen ten Damme, Lucretia van der Vloot, Hans Dagelet, Frits Lambrechts. In 65 theaters.

Goed getimed is anders. Zes dagen na de 50ste verjaardag van Cruijff, en meer dan een week na de deconfiture van Ajax, beleven we de première van All Stars, de lang van tevoren aangekondigde voetbalfilm van regisseur Jean van de Velde. Wellicht waren producent en distributeur bang dat hun film bij een vroegere uitbreng ondergeschoffeld zou worden door de publiciteit rondom Karakter, die andere Nederlandse high-budgetfilm. Ten onrechte. De aantrekkingskracht, maar ook de kwaliteit van All Stars is groot genoeg om een breed publiek te trekken en Karakter het nakijken te geven.

En dat terwijl de verwachtingen niet bepaald hoog gespannen waren. De ondertitel van All Stars ('Een film over buitenspel, diepgaan en gemiste kansen'), en ook het reclamefilmpje, suggereerde een populistisch melodrama. Wie afging op de cast, met onder meer Antonie Kamerling en Isa Hoes, rekende op een veredelde soap. En wat moest de vooral van literatuurverfilmingen bekende Van de Velde (De kleine blonde dood, 1993) met een scenario over zeven voetballers? Was dat niet meer een onderwerp voor iemand als Joram Lürsen, die zes jaar geleden met De finales had laten zien hoe je voetbal en het echte leven tot een goede film versmelt?

All Stars, naar een scenario van de debuterende Mischa Alexander, is het verhaal van een vriendenclubje dat al vijftien jaar lang, sinds de gedenkwaardige pupillenwedstrijd 'Poldervogels uit: 15-2', op zondag voetbalt. Als twintigers zijn ze flink uit elkaar gegroeid, maar dankzij het goeiige fanatisme van Bram (Danny de Munk), die zelfs tijdens zakenreisjes in het Verre Oosten zijn teamgenoten opport en geduldig hun afbelsmoezen op het antwoordapparaat afluistert, staan ze inmiddels voor hun 500ste wedstrijd. Alle zeven zien ze de zondag als een gouden kans om te ontsnappen aan de verantwoordelijkheid van banen en vaste relaties; voor allemaal is het voetbalveld de enige plaats waar ze nog even jongetjes van tien kunnen zijn.

Dan, rond het jubileum, begint het te rommelen in het team. In de kleedkamer na een afgelaste wedstrijd blijkt dat de spelers willen stoppen; de keepende lobbes Willem (Thomas Acda) heeft zijn handen vol aan zijn tuincentrum en zijn gezin, de flierefluiter Mark (Peter Paul Muller) krijgt een kind en gaat trouwen, de naïeve Paul (Raymi Sambo) denkt het druk te krijgen met het uitwerken van zijn idee voor een televisiespelletje ('een combinatie van Dierenmanieren, Lingo en Rondom Tien'). Alleen Bram wil doorgaan, maar die heeft een verborgen agenda. Johnny (Daniël Boissevain) betwijfelt zelfs of ze nog wel vrienden zijn: “Ik weet niet wat dan wel. Elkaars jeugdsentiment?”

De frustraties van het ouder worden, de doem van het burgerbestaan, de onvolwassenheid van mannen die van het hele leven het liefst een hengstenbal maken - het zijn thema's die bekend zijn uit Amerikaanse films als Beautiful Girls (Ted Demme, 1996) en vooral Diner van Barry Levinson (1982), waarin een snackbar dezelfde functie vervult als het voetbalveld in All Stars. Zoals in Levinsons highschool-film het onbegrip tussen de seksen samengevat wordt in de vertwijfelde uitspraak dat meisjes 'nooit eens vragen wat er op de B-kant van je singeltjes staat', zo verbazen de mannen in All Stars zich erover dat hun vrouwen zich niet interesseren voor Studio Sport of de finesses van de buitenspelregel.

De humor in All Stars (vreemd genoeg genoemd naar een merk basketbalschoenen) is die van het voetbalveld, hoewel inventiever en minder grof. Wie geen enkele affiniteit heeft met de lol van teamsport op amateurniveau, en niet op de hoogte is van het aanvallersprobleem bij Feyenoord, zal misschien niet kunnen lachen om de vele running gags in de film (“Jongen, jij was zo goed, jij had spits bij Feyenoord kenne wezen” - “Ja, coach, wie niet”). Maar er zijn vele andere dingen die de film de moeite waard maken. De snelle montage bijvoorbeeld, en de overtuigende verweving van vijf of zes plotlijnen. De herkenbaarheid van de personages, die sympathiek zijn en praten in normale-mensentaal. Het ongedwongen spel van bekenden als Boissevain, Kamerling en Hoes, en vooral van filmdebutanten als Acda en Muller. De ontroerende rol van Frits Lambrechts als de invalide geworden ex-coach van het jongenselftal die van zijn gegeneerde zoon niet meer mee mag naar het voetbalveld.

Het is dan ook jammer dat de filmmakers zich niet genoeg rekenschap hebben gegeven van de zwakke plekken. Hoofdrolspeler De Munk, een begenadigd musicalacteur, heeft veel moeite met zijn monologen over respect en straalt voornamelijk onbeholpenheid uit; het geheim dat hij met zich meedraagt, is voor de gemiddelde kijker al onthuld in een van de eerste scènes. Daphne Deckers, die een mooie miep moet spelen, loopt met wijd opengesperde ogen als het spook van de opera door de film. En de zwaar aangezette sentimentele muziek maakt van de romantische scènes regelrechte parodieën - alsof Van de Velde af en toe niet meer wist wat voor film hij aan het maken was.

De charme van All Stars zit hem in het enthousiaste ensemblespel en het o-zo Hollandse van soppige grasvelden, trainingsweekends in bungalowparkjes en tactische besprekingen met blokjes kaas en ossenworst. Natuurlijk, in het buitenland worden met de regelmaat van de klok dit soort films gemaakt; maar in Nederland is All Stars een unicum. Criticasters zouden dan ook om de oren geslagen kunnen worden met een K. Schippers-parafrase: 'Als dit een Engelse film was, zou je beter kijken.'