Moderne vorst ruilt zwaard voor golfclub

Sport en koningshuis zijn twee onafscheidelijke grootheden. Een geslaagd monarch moet over aantoonbare kwaliteiten beschikken in enkele van de vijf klassieke koninklijke sporten: paardrijden, jagen, zeilen, skiën of golfen.

DEN HAAG, 30 APRIL. Zonder sport geen koningshuis. Na oorlogvoering is sportbeoefening voor de monarch een goede tweede om zich te onderscheiden als leider en voorbeeld van de natie. Vroeger diende een koning met paard en zwaard respect af te dwingen bij zijn onderdanen. Tegenwoordig kan het geen kwaad als vorsten en andere leden van de koninklijke familie in het kader van hun democratische activiteiten ('Zeg maar Alex') een marathon of Elfstedentocht in de benen hebben zitten. Wat het parlement is voor de democratie, is de sport voor de monarchie. Beide bieden het volk een kans op identificatie met het landsbestuur.

Onsportieve monarchen zijn definitief in onbruik geraakt sinds de burgers op koninginnedag niet meer naar het paleis toekomen, maar het staatshoofd geacht wordt het land in te trekken. Koningin Wilhelmina, hoewel erkend fiets- en ski-liefhebber, zou het tegenwoordig moeilijk hebben gehad. In Marken wachten vandaag schiettenten en hoepels op een koninklijke handeling, en dobberen vlonders uitdagend in vijvers. Sport biedt de monarchie de mogelijkheid in actie te komen, zonder dat dit per se tot genante contrasten met de vereiste waardigheid hoeft te leiden.

Daarvoor dient wel aan een aantal strikte voorwaarden te worden voldaan. Teamsporten zijn voor vorsten en vorstinnen uit den boze. Alleen in individuele sporten zoals paardrijden, zeilen, (tafel)tennis en biljarten - voorkeuren van de huidige vorstin - kan de soevereiniteit van de monarch goed tot uitdrukking komen. Een te hoog opgetrokken knie of te ver uitzwaaiende arm van een tegenstander bij rugby of voetbal kan zelfs een bedreiging vormen voor de continuïteit van de monarchie. De enige sport die sinds de oprichting van koningshuizen in de buurt van de collectiviteit is gekomen, is de jacht. Om redenen van politieke correctheid is haar toekomst echter onzeker.

Ten tweede genieten buitensporten een zekere vorstelijke voorkeur. Dammen en schaken zijn zeker niet verboden, maar falen als kijksport. Biljarten en tafeltennissen zijn om een andere reden riskant. De lichaamshoudingen die daarbij moeten worden aangenomen, botsen snel met de voor het ambt noodzakelijke gratie. De judosport, soms door prins Bernard beoefend, brengt het gevaar met zich mee dat het volk te veel uitzicht krijgt op onbedekt menselijk materiaal. Mede daarom schiet deze vechtsport tekort als antwoord op de verdwijning van de martiale dimensie uit de westerse welvaartscultuur.

Koningin Beatrix te paard op het strand of op een zeiljacht op zee, prinses Margriet bij de wereldkampioenschappen mennen voor vierspannen bij paleis het Loo, prinses Juliana op de ski's in Noorwegen desnoods, ze hebben gemeen dat ze begerige camera-lenzen meer spektakel bieden. Wat dat betreft is het golfspel - na paardrijden, jagen, zeilen en skiën de vijfde koninklijke sport en veelvuldig beoefend door de prinsen Bernhard en Claus - problematischer. Op het gebied van decorum maakt die sport echter weer iets goed.

Koninklijke sportiviteit kan respect afdwingen, maar ook een rijke bron vormen van verhaaltjes en schandaaltjes. Dat geldt in elk geval voor de vliegenierskunsten en autoracerij van prins Bernard en kroonprins Willem-Alexander, telkens weer aanleiding tot verwondering van intellectueel Nederland. Toen de laatste in mei 1988 met zijn auto in een Leidse sloot belandde, meesmuilden sommige media over zijn pogingen een licentie voor het autoracen te halen. Overigens zou de kroonprins vijf jaar later, in oktober 1993, op het circuit van Zandvoort gewoon slagen voor zijn 'race-examen'.

Nadat de 82-jarige prins Bernard in juni 1994 boven Schiphol-Oost zijn laatste looping had uitgevoerd met een sportvliegtuigje, werd in de media veelvuldig verwezen naar het spectaculaire begin van zijn vliegcarrière in 1934. Op zijn eerste solovlucht als 23-jarige zou Bernard met een vliegtuigje zo laag over een Duits meertje zijn gescheerd, dat hij met het hele geval in het water belandde. Zijn ouders verboden hem daarop voorlopig het luchtruim te kiezen. Zijn latere vlieginstructeur Clem Pike noemde Bernards vliegkunsten “buitengewoon”, maar tevens zo overmoedig dat hij niet verwachtte dat de prins lang genoeg zou leven om duizend vlieguren vol te maken, nodig voor het verkrijgen van het vliegbrevet.