Alleen de dommen krijgen geen WW

Het gaat goed met Nederland, behalve met de werkloosheids- uitkeringen. Die nemen maar niet af. En dat terwijl het sinds 1 augustus vorig jaar nog moeilijker is om een WW-uitkering te krijgen. Dat is althans de bedoeling van de strenge 'wet Boeten'. Over de kongsi van rechters, werkgevers en werknemers en het record van Delft: negentien rechtszaken in veertig minuten.

De wachtkamer van het kantongerecht in Delft zit stampvol. Zeer jonge advocaten met loodgieterstassen die ministers plachten te dragen, begeleiden hun wat zenuwachtige cliënten. Een wild kauwgum kauwende wat gezette vrouw zit naast een rijzige man in driedelig grijs die met zware stem zijn advocaat vraagt koffie te halen. Tien minuten later zitten ze tegenover elkaar in de rechtszaal en weer twee minuten daarna staan ze buiten.

“Wist u dat het zo kort ging duren?”, vraag de Delftse kantonrecher L.J. Sarlemijn aan de vrouw die ze zojuist een schadevergoeding van 6.080 gulden bruto heeft toegewezen. De vrouw knikt. Haar advocaat had haar uitgelegd dat dit een pro-forma zaak was waar ze alleen maar even tegenover haar voormalige werkgever zou zitten om definitief van de rechter te horen dat haar dienstverband was afgelopen. “Dan sluit ik deze zitting”, zegt Sarlemijn.

Ze zal het daarna nog achttien keer zeggen, in veertig minuten. Sarlemijn noemt het de Delftse donderdagse receptie. In moordend tempo trekken werknemers en werkgevers aan haar voorbij die een soms emotionele en maandenlange strijd met elkaar hebben gevoerd over het ontslag van de werknemer. Vaak is de reden een reorganisatie. Dat ontslag gaat steevast gepaard met een schadevergoeding. Soms is die stevig, zoals voor de man die dertig jaar bij TNO in Delft werkte en in een zaak die handgeklokt één minuut en veertig seconden duurt, hoort dat hij 412.000 gulden bruto overgemaakt zal krijgen.

De rol van de kantonrechter is bij dit alles uiterst gering. Die hoeft alleen maar de hoogte van de schadevergoeding te bevestigen en dat beide partijen ondanks alles echt niet verder kunnen. Frustrerend, vinden de rechters het. Ze zijn immers opgeleid om geschillen op te lossen. De tientallen zaken die op een gemiddelde donderdagochtend in Delft voorkomen hadden veel beter schriftelijk kunnen worden afgehandeld. Zo was het nog voor 1 augustus vorig jaar, herinnert Sarlemijn zich. “Deze vertoning hebben we te danken aan de wet Boeten”, verzucht ze na afloop van de laatste zaak 'nummer negentien'.

Het is sinds 1 augustus moeilijker geworden om aan een werkloosheidsuitkering te komen. Althans, dat is de bedoeling van de wet 'Boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid', kortweg de wet Boeten, die toen inging. In deze wet staat het begrip 'verwijtbaar werkloos' centraal: als je had kunnen weten dat je gedrag als werknemer tot ontslag zou kunnen leiden is dat gedrag verwijtbaar en krijg je geen WW-uitkering.

Een daverend succes, die wet, zegt het GAK. Deze grootste van de uitvoeringsorganisaties die de WW uitkeren, publiceerde als eerste cijfers over het aantal geweigerde uitkeringen voor en na de invoering van de wet Boeten. En wat bleek, het aantal weigeringen was ruim verachttienvoudigd.

Maar in absolute zin blijkt deze stijging weinig voor te stellen. Van de 100.000 aanvragen die gemiddeld elk kwartaal binnenkomen werden er het eerste kwartaal van 1996 nog 156 geweigerd. Aan het eind van vorig jaar waren dat er 2.912. Een uitermate bescheiden deel van het totale aantal uitkeringen, dat dan ook maar niet wil dalen.

“Die toename, dat zijn de mensen aan de onderkant van de ontslagen”, meent mr. M. Holtzer. De Rotterdamse advocaat, gespecialiseerd in arbeidsrecht, doelt op de werknemers die zelf, zonder iets te regelen, ontslag nemen, die een greep in de kas hebben gedaan of die de secretaresse van de baas hebben betast. “Kortom, de dommen”, vat Holtzer samen. “Met de oude wet kon de instelling die de WW uitkeerde dergelijk gedrag nog wel eens door de vingers zien. Maar nu is men verplicht om een sanctie uit te delen.” En die sanctie is niet zoals vroeger een tijdelijke korting op de uitkering. Nu zijn er nog maar twee straffen: voorgoed géén WW en een half jaar een halve WW-uitkering.

De grijstinten van de sanctie zijn daarmee sinds 1 augustus verdwenen. Die grijstinten zorgden er voordien voor dat hetzelfde verwijtbare gedrag door de verschillende brillen van de WW-uitvoerders ook verschillend werd bestraft. Zo is het meenemen van bouwmateriaal van een bouwplaats bijna een secundaire arbeidsvoorwaarde voor een bouwvakker. Het meenemen van bouwmateriaal uit een doe-het-zelfwinkel door een winkelbediende is evenwel een gegronde reden voor ontslag. Voor de invoering van de wet Boeten zou de bouwvakker die op grond van zijn verzamelwoede zou zijn ontslagen hooguit een eenmalige korting hebben gekregen op de eerste maand dat hij een WW-uitkering kreeg overgemaakt. De werknemer van de doe-het-zelfwinkel kon waarschijnlijk voorgoed naar zijn uitkering fluiten. Sinds 1 augustus geldt dat laatste voor beiden, er mag immers geen onderscheid meer worden gemaakt. En verwijtbaarder dan wegens stelen kan een mens bijna niet ontslagen worden.

Een harde maatregel die arbeidsrechtelijk Nederland op de achterste benen liet staan. Beginselen van behoorlijk bestuur worden wat arbeidsrechtadvocaten betreft met voeten getreden. Want de mate waarin iemand het aan zichzelf te danken heeft dat hij geen WW-uitkering meer krijgt (de verwijtbare werkloosheid) heeft geen enkel verband meer met de zwaarte van de sanctie. Het is daarom zaak voor een werknemer zich hevig tegen het ontslag te verzetten en alle mogelijke schuld voor het conflict bij de werkgever te leggen. Ook al weet de werknemer zelf ook wel dat doorgaan geen zin meer heeft. “Verkoop je huid zo duur mogelijk”, adviseren advocaten hun werkloos geworden cliënten daarom. “Uit alle juridische stukken moet blijken dat het aan iedereen behalve de werknemer heeft gelegen dat er een eind is gekomen aan het dienstverband”, zegt mr. F. Grapperhaus, arbeidsrecht-advocaat in Amsterdam.

De zaken zoals die in sneltreinvaart elke donderdagmorgen in het kantongerecht van Delft plaatsvinden, representeren de keren dat werkgever en werknemer tot overeenstemming zijn gekomen. Ze zouden schriftelijk kunnen worden afgedaan, maar de werknemer, geadviseerd door zijn advocaat, vindt dat veel te riskant. Want stel je voor dat je een overeenkomst met je werkgever tekent omtrent hoe de werkrelatie beëindigd zal worden, dan wordt de WW-uitkering misschien wel geweigerd. Immers, het gezamenlijk ondertekenen van de overeenkomst kan door de uitvoeringsinstelling die de WW moet gaan uitkeren worden opgevat als een bewijs van verwijtbare werkloosheid. Er is getekend, dus er is meegewerkt aan het eigen ontslag. Sanctie: geen WW.

Om dat te voorkomen laten de advocaten van de werknemers de zaak pro forma voor de kantonrechter komen. Diens uitspraak wordt samen met de aanvraag voor de WW-uitkering naar de uitvoeringsinstellingen (GAK, Cadans, GUO en SFB) opgestuurd. Deze kan zelf nog eens gaan onderzoeken hoezeer de werknemer het ontslag aan zichzelf heeft te wijten. Maar in de praktijk ontbreekt daartoe de lust en de tijd en baseren de instellingen zich veiligheidshalve op het 'onderzoek' van de rechter. Gevolg is dat er nauwelijks meer uitkeringen worden geweigerd dan voor de invoering van de toch moeizaam tot stand gekomen wet Boeten.

De zittingen van de kantonrechter zijn openbaar en dus ook toegankelijk voor vertegenwoordigers van bijvoorbeeld het GAK. Die laten zich echter hoogst zelden in de rechtszaal zien. Sommige rechters zullen hun vertegenwoordigers overigens ook niet toelaten. Eenmaal doorgedrongen tot de publieke tribune zouden de uitvoerders van de WW kunnen zien hoe de kantonrechter onder één hoedje speelt met advocaten van vooral de werknemer om de leveranciers van de WW-uitkering om de tuin te leiden. Het gaat dan niet om pro-forma zaken zoals in Delft, maar om gevallen waarbij werkgever en werknemer er niet zelf zijn uitgekomen en de rechter om een oordeel vragen.

Net zoals die ochtend dat de zonnebankbruine horeca-ondernemer en zijn gelijkgetinte ex-bedrijfsleider voor rechter Bos van het Rotterdamse kantongerecht kwamen te zitten. Allebei vonden ze de rechtsgang even verschrikkelijk. “Achteneenhalf jaar hebben we lief en leed gedeeld”, zei de met goud behangen oud-werknemer. “Ik zit hier ook niet voor mijn lol”, reageerde de werkgever. Hij heeft niets meer aan zijn werknemer, omdat deze weigert zijn behaalde diploma's beschikbaar te stellen voor de horecazaak. Zijn baas vermoedt dat de diploma's in een andere zaak zijn 'ingebracht'. Daardoor kan de werknemer niet als bedrijfsleider werken. Hooguit als kelner, een baan die hem ook royaal wordt aangeboden. Deze heeft echter zijn zinnen gezet op de gebruikelijke schadevergoeding. Bos doet een voorstel waarna werkgever en werknemer zich even terugtrekken.

Voor de vaststelling van de vergoeding wordt de 'kantonrechtersrichtlijn' gehanteerd: anciënniteit maal maandloon maal een correctiefactor. De eerste twee elementen zijn objectief vast te stellen. De rechter bepaalt de correctiefactor door te taxeren in hoeverre de werkgever of de werknemer schuld heeft aan het eind van het dienstverband. “Door die correctiefactor zijn die schadevergoedingen eigenlijk een tombola”, vertelt de Rotterdamse advocaat Holtzer terwijl het horeca-dispuut zich op de gang voortzet.

De beide mannen komen 20.000 gulden overeen en rechter Bos noteert bij zijn uitspraak 'ontbinding op neutrale gronden'.

“Dat wil zeggen dat er in de beschikking van de rechter niet staat waarom het tot een eind van het dienstverband is gekomen”, legt Holtzer na afloop van de korte zitting uit. “Er wordt vaak een andere reden voor het ontslag gegeven dan zich in werkelijkheid heeft voorgedaan.” Daardoor is het voor bijvoorbeeld het GAK ondoenlijk om te bepalen of de beëindiging het resultaat is van verwijtbare werkloosheid.

Ondoenlijk, tenzij ze bij de rechtszaak aanwezig waren geweest. In het geval van de Rotterdamse bedrijfsleider in de horeca was de uitvoeringsorganisatie tot de conclusie gekomen dat deze wel degelijk verwijtbaar werkloos is. Hij wilde per slot van rekening zijn diploma's niet inbrengen en kon daarmee op zijn vingers natellen dat dit tot ontslag zou leiden.

De wet Boeten had aan dit soort praktijken een einde moeten maken. Maar dan moeten de uitvoeringsinstellingen wel een veel kritischer rol spelen in de toekenning van WW-uitkeringen dan de ogenschijnlijke lethargie die GAK, SFB, GUO en Cadans nu etaleren. Uit de richtlijnen die deze vier 'uvi's' naar hun regionale kantoren rondsturen blijkt echter dat ze met dezelfde nuance WW-uitkeringen willen toekennen en boetes uitdelen als voor de wet Boeten. Probleem alleen is dat die wet de nuance eruit heeft gehaald. Een probleem waarmee bijvoorbeeld het GAK totaal anders omgaat dan Cadans, dat de detailhandel en de gezondheidszorg vertegenwoordigt. Zo kiest Cadans in geval van twijfel eerder in het voordeel van de WW-aanvrager en staat het GAK als de met afstand strengste uitvoerder bekend. Het is dan ook het GAK dat de succescijfers over de werking van de wet Boeten heeft bekendgemaakt.

Voordat die wet werd ingevoerd was de verwachting dat voortaan elke ontslagzaak uitentreuren voor de rechter zou moeten worden uitgevochten. Een gevecht dat zou draaien om de vraag hoe verwijtbaar de werkloosheid van de werknemer was. “Allerlei indianenverhalen deden de ronde”, vertelt Holtzer, “uitvoeringsinstellingen zouden er bovenop gaan zitten tot en met het lichten van dossiers bij de werkgever.” Ingegeven door de angst voor verandering volgde vlak voor de cruciale ingangsdatum van de wet Boeten, 1 augustus 1996, een ware explosie van pro-forma ontbindingszaken. “Bij ons werden alle verloven ingetrokken”, herinnert Holtzer zich.

Toen passeerde de datum van 1 augustus en er gebeurde niets. Van het GAK en de andere uitvoerders van de WW werd niets vernomen. En zo besloten de eerste advocatenkantoren weer eens als vanouds een pro-forma zaak te proberen. En wat bleek? Het was voor de kantonrechter geen enkel probleem om net als vroeger mee te werken aan een formele ontbinding van de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer.

Resultaat is nu dat de situatie waar de wet Boeten een eind aan had moeten maken, integendeel hetzelfde is als voor de invoering van die wet. Op een klein detail na, vertelt Holtzer. “Vroeger schreven we de rechter dat de partijen afzien van mondelinge behandeling en werd de zaak verder schriftelijk afgehandeld. Nu is de formulering 'we verwachten dat de behandeling slechts korte tijd in beslag zal nemen'. Iedere kantonrechter weet inmiddels wat dit betekent.” Wat volgt zijn ultra-korte zittingen zoals elke donderdagmorgen in Delft. “Een ritueel dansje”, noemt Grapperhaus ze, “dat inhoudelijk niets toevoegt aan wat ook via de post geregeld had kunnen worden.”

Advocaten en rechters zijn het erover eens: er is niets veranderd sinds de wet Boeten. Als het aantal WW-uitkeringen al zou teruglopen is het in ieder geval niet aan die wet te danken. Het Centraal Planbureau doet daar nog een schepje bovenop: de werkloosheidscijfers dalen en dalen, terwijl het aantal WW-uitkeringen op zijn best stabiel blijft en de neiging heeft te stijgen. De reden daarvoor is dat de WW door werkgevers is ontdekt als nieuwe uittreedroute om overtollig personeel kwijt te raken. Vooral belangrijk bij reorganisaties. Tot voor kort werden die routes gevormd door de VUT en de WAO, maar strengere wetgeving had daar wel succes en leidde er toe dat steeds minder van deze regelingen gebruik wordt gemaakt. Veertig minuten bij de kantonrechter van Delft en het is duidelijk dat de uittreders als in een trechter naar de WW lopen. De wet Boeten blijkt daar niets aan te veranderen.