Veilig

We waren een paar dagen van huis, waar ik altijd een beetje tegen opzie, vanwege het partir c'est mourir, je kunt verongelukken, maar eenmaal in de auto, eenmaal de hoek om heb je met het huis alle zorgen achter je gelaten en kan zelfs een vergeten paspoort de pret niet meer drukken.

Onderweg naar België kwamen we door plaatsjes als Veghel, Asten en Weert; daar stopten we, die wil ik dan ook gezien hebben. Al sinds de middelbare school klinken van tijd tot tijd die regels van Greshoff in mijn hoofd: “pom pom pom pom, een jongeman in Sappemeer of Weert, die eenzaam uit mijn rijmen heeft geleerd, hoe waardeloos de waarheid is die men eert”. En ik moet Greshoff gelijk geven: als je een jongeman bent en je leest gedichten dan lijken die twee plaatsen sterk op elkaar.

We trokken verder. De grensstreek achter Weert is een stuk niemandsland. Wie daar rijdt of loopt kan alleen al daardoor verdacht worden van smokkel, maar dat is sinds kort niet meer aan de orde en de ruimte kan worden volgebouwd met huizen in Hollandse dan wel Belgische stijl.

Op weg naar Antwerpen rijd je door de Kempen - een landstreek die veel weg zou hebben van 'het arme Drenthe', dezelfde 'droefgeestige schoonheid'; de poëzie en de schilderijen waren ernaar. Maar toen ik begin jaren zeventig er 's doorheen reed was het er niet schoon en niet eens droefgeestig, maar leeg en lelijk. Zo lelijk dat het niemand hoeft te spijten, ook de meest fanatieke Groene niet, dat de streek anno 1997 is volgebouwd met nieuwe, kleurige industrie. Assemblagehallen, kantoorparken, zakenhotels en volumebouw. En overal die parkeerplaatsen met auto's en autootjes van mensen die hier hun werk hebben en thuis hun kroost dat opgroeit in welvaart.

'Antwerpen' is wat ons betreft ook al weer twintig jaar geleden en wat toen nog wel kon, kan nu niet meer: je auto voor het hotel zetten. We zetten hem ergens in de catacomben, diep in de grond en lopen met een koffertje door de regen naar 'ons' hotel op de Handschoenmarkt. Het is er nog en er zijn plenty kamers voor ons. Daar, met het uitzicht op de kathedraal en de toren vooral, hebben we een paar dagen 'gelogeerd'. Vroeger zei je geslapen.

De toren is een paar keer zo hoog als de Handschoenmarkt lang is; je staat als in New York met je hoofd in de nek. 's Morgens voor het raam gezeten zie ik een vroege wandelaar pogingen doen de spits met zijn oogopslag te vangen. Ook hij gooit daartoe zijn hoofd in de nek, maar is daartoe niet bij machte zonder bijna om te vallen en telkens een nieuwe plek voor zijn voeten te zoeken. Hij blijft volharden, met de typische hardnekkigheid van een dronkenman.

Antwerpen is de zuidelijkste van de Noordelijke steden, misschien omdat het een havenstad is. We staan aan de Schelde en het regent. We lopen door de Kloosterstraat, gaan de winkels in en kunnen de mooiste dingen kopen, antieke seinpalen, schoorsteenmantels van 1900, een Shellpomp van 1920 - het is een van de zeldzame keren dat ik op het punt sta iets te kopen. We doen het niet, kijken is ook mooi. Een schone herinnering. Een mens op vakantie geeft toch het meeste geld uit aan eten. We eten, of moeten we zeggen dineren, of mogen we zeggen smikkelen, 's avonds op de hoek van het Steenplein en de Suikerrui in een groot, druk restaurant dat open is, de meeste restaurants zijn gesloten, omdat het seizoen nog niet begonnen is. Of vanwege het natte weer. We hebben het erg naar onze zin.

Op de terugweg naar Nederland reden we over Bergen op Zoom, daar kom je anders ook niet en vervolgens naar Utrecht waar ik een afspraak had. Vandaar dit tochtje. We logeerden op het Janskerkhof, onder de hanenbalken. De avond doorgebracht met vrienden, met wie we 'een goed gesprek hadden onder het genot van een heerlijk glas wijn', om niet te zeggen dat we om twee uur tamelijk bezopen in ons nest kropen. Dat heb je met vrienden.

De volgende ochtend vroeg naar Zutphen, ook al weer lang geleden dat we daar voor het laatst waren. We hadden geluk, het was zondag. De winkels gesloten, geen markt, geen auto's, hier en daar een wandelaar - het mooie stadje leek een achttiende-eeuwse prent en het speet me dat ik mijn fototoestel niet bij me had. Daarna nog een bezoek gebracht aan vrienden in Denekamp, om te zien hoe die woonden. Ze woonden schitterend, in één woord. We hebben alles bewonderd, tot en met een lange gouden strip boven de tussendeur. Waar gouden de portalen zijn, declameerde ik, hoe zullen daar de zalen zijn. Maar die regels kenden ze niet. We bleven 'niet te lang', want wilden voor donker thuis zijn.

Ons huis is óók schitterend, verzekerden we elkaar onderweg. Los daarvan, ik ben altijd blij te zien dat het er nog staat, zelfs al na één dag afwezigheid. En dat er - de tv stond er nog - geen dieven zijn geweest en dat we maar mooi weer niet ergens op de snelweg over de kop geslagen zijn. In die zin hebben we toch eigenlijk weer geluk gehad; een ongeluk zit in een klein hoekje. Maar - zoals men weet - de meeste ongelukken gebeuren thuis. En dat zouden wij die nacht merken.

Want die nacht presteer ik het, het raam stuk te schoppen, met sponning en al - omdat ik een nachtmerrie heb. Nota bene. Ik dacht dat dat bij ons soort mensen niet meer voorkwam, maar ik sta oog in oog met zoiets kinderlijks als een blazende tijger en ik ben doodsbang. Op het moment dat hij op mij afspringt, vlieg ik hem naar de keel en ik trap dwars door hem heen, uit alle macht door die ruit heen, met spanjolet en al. Mijn vrouw gilt wat ik aan het doen ben, maar heeft zich van haar doodschrik al weer hersteld en sust de demonen in mij.

Ik keer terug tot de werkelijkheid en weet uit te leggen wat een geluk ik heb gehad dat de gordijnen dicht waren, dat ik op die manier gevrijwaard was van glas en snijwonden.

De volgende dag - we zien het. Het hele zootje steekt als een boegspriet naar buiten. Twee uur later is er al een timmerman bij, fantastisch zoals de hedendaagse maatschappij werkt, glaszetten kan hij ook. En vroeger zou ik erbij hebben gestaan en hem hebben uitgelegd hoe 't gekomen was, misschien om daarmee de gedachte aan een echtelijke twist te ontzenuwen, maar zo laf ben ik niet meer. Kan mij 't schelen wat hij denkt van ons.

We hebben weer geluk gehad. Het beest kwam van rechts. Stel je voor dat hij van links gekomen was. Dat ik mijn vrouw...

Wie zou mij hebben geloofd.