Muziek heeft geen top-opleiding nodig

De Raad voor Cultuur heeft voorgesteld een apart instituut te creëren voor muzikaal toptalent. Volstrekt overbodig, vindt Jan van Vlijmen. Bij het goed functioneren van de Amsterdamse en Haagse conservatoria ontstaat vanzelf een voedingsbodem voor groot talent.

Er zijn weinig kwesties op het terrein van de kunsten waarover zoveel meningen, misverstanden, opvattingen en - vooral onoordeelkundige - ideeën bestaan als over de herstructurering van het muziekvakonderwijs. Al sedert de jaren zestig wordt er over gepraat en nog steeds is het een treurigmakend verhaal zonder eind. Voortdurend verschijnen er nieuwe rapporten waarin voornamelijk door pseudo-deskundigen tegenstrijdige denkbeelden worden geventileerd. Chauvinistisch provincialisme bij de scholen zelf en curieuze politieke belangen van regionale politici, niet gehinderd door enige kennis van zaken, hebben de discussies over dit onderwerp stelselmatig verziekt en daarmee op een onverantwoorde wijze vertraagd. De opeenvolgende ministers en staatssecretarissen zeulen deze last nu al jaren met zich mee en een echte oplossing is nog steeds niet in zicht.

In 1991 beweerde de commissie-Halberstadt dat het muziekvakonderwijs zich diende te voegen in de voor het overige HBO bedachte tweefrasenstructuur (vier plus twee jaar cursusduur). De volgende gedachten lagen hieraan ten grondslag: er kon een einde worden gemaakt aan de ongebreidelde wildgroei van het aantal conservatoria en de daarmee samenhangende versnippering van het talent. Er was een handvat gevonden om tot een selectieve toewijzing te komen van instituten mét en zónder tweede fase. De hieraan gepaard gaande herstructurering van het landelijk bestel zou er toe kunnen leiden dat een klein aantal instituten over een tweede fase zou gaan beschikken met mogelijkheden tot verdieping, verbreding en specialisatie, hetgeen kwaliteitsbevorderend zou kunnen werken.

In 1993 was het de door de minister van Onderwijs en Wetenschappen ingestelde commissie-Van Beers, die uiteenzette hoe een tweede fase moest worden ingericht en die als aanbeveling meegaf dat er maximaal vier (maar liever minder) voorzieningen moesten komen met een tweede fase. Tevens gaf deze commissie aan welke criteria voor toekenning van een tweede fase moesten worden gehanteerd: de kwaliteit van de docenten (en schoolleiding), een substantiële omvang, een evenwichtige verdeling van studenten over de diverse studierichtingen, een combinatie van scheppende (componisten), herscheppende (vocalisten, instrumentalisten) en pedagogische opleidingen, etcetera, etcetera.

In 1994 zag het rapport-Haks (Raad voor de Kunst) het licht. Deze commissie bezocht alle instellingen en adviseerde op puur kwalitatieve overwegingen aan twee instituten (Amsterdam en Den Haag) een tweede-fase-voorziening toe te kennen. Op deze wijze zouden voorwaarden kunnen worden geschapen om de meer talentvolle muziekstudenten (maar ook het zeldzame toptalent) een optimale opleidingsmogelijkheid te bieden. De hiermee beoogde concentratie van de meer begaafde studenten was zich in die tijd al aan het voltrekken. Er was geen twijfel mogelijk dat de instituten in Amsterdam en Den Haag een grotere zuigkracht uitoefenden op de meer getalenteerde studenten dan alle andere instituten tezamen. Ook bleek dat de selectiecriteria voor toelating bij deze twee instituten hoger waren dan bij de andere scholen.

De toenmalige staatssecretaris Job Cohen, neigde er toe dit laatste advies over te nemen, maar informele pressie uit de Tweede Kamer dwong hem tot een compromis. Hij besloot, in afwachting van het resultaat van de te zijner tijd in te stellen toetsingscommissie, Amsterdam en Den Haag een definitieve - en vier andere instituten een voorwaardelijke tweede-fase-status toe te wijzen.

In 1996 verzoekt staatssecretaris Nuis (Cohens opvolger) de Raad voor Cultuur deze toetsing te verrichtingen. Het verzoek van Nuis wordt door de Raad echter uitsluitend geïnterpreteerd als een toetsing van de plannen van de instituten en niet - zoals Cohen en Nuis wilden - een toetsing van de kwaliteit van het onderwijs van alle scholen die opteerden voor een tweede fase. Nuis vroeg of de kwaliteit van de plannen voor een tweede fase werd geschraagd door de mogelijkheden en potenties van de eerste-fase-opleidingen. Verder wilde hij meer weten over beroepsprofielen, ambitieniveau, plaats in de infrastructuur van stad of regio, afstemming op de beroepspraktijk, curriculumopbouw, vormgeving van de samenwerkingsverbanden, werving en selectie van de studenten en het personeelsbeleid. Uitgangspunt voor de toetsing waren voor Nuis de criteria van de commissie-Van Beers uit 1993.

Geconcludeerd moet worden dat de Raad dus niet heeft voldaan aan het verzoek van de staatssecretaris, waardoor de waarde van dit advies sterk in twijfel moet worden getrokken. Met voorbijgaan aan al hetgeen over deze materie is gezegd en geschreven (onder anderen door Van Beers zelf, in 1993!) komt de Raad voor Cultuur op 9 april 1997 met het volgende advies om aan alle instituten en samenwerkende instituten een tweede fase toe te kennen en om daarbovenop een apart instituut in het leven te roepen dat plaats biedt aan vijftig tot vijfenzeventig toptalenten.

Hoe is het mogelijk dat de heren Van Beers, Van Beuzekom (Jaap), Hierck, Hillen en Wolfkamp tot zo'n onsamenhangend, inconsistent en onwerkzaam advies zijn gekomen? Het ergste is nog wel dat het totaal niet strookt met de praktijk van het muziekvakonderwijs zelf. Alleen al het idee dat er een apart instituut moet komen voor zogenaamde toptalenten, waarvan er volgens de commissie jaarlijks vijftig tot vijfenzeventig zouden rondlopen, is zó in strijd met de werkelijkheid, dat je je afvraagt of er wel iemand bij heeft gezeten die ook nog een beetje heeft nagedacht.

Indertijd is de in verval geraakte Prix d'Excellence bij alle instituten weggehaald en vervangen door de zogenaamde Nederlandse Muziekprijs. Toelating tot de studie voor de muziekprijs impliceert dat daarvoor gekwalificeerde kandidaten met financiële steun van de overheid gedurende korte of langere tijd kunnen studeren bij docenten van hun keuze, zowel binnen als buiten Nederland. Deze postacademiale vervolgstudie wordt afgesloten met een soort examen dat wordt beoordeeld door een onafhankelijke commissie.

Ik ga er vanuit dat de Raad op de hoogte is van het feit dat gedurende de afgelopen zeventien jaar slechts aan dertien toptalenten de Nederlandse Muziekprijs is uitgereikt. Er kan natuurlijk langduring worden stilgestaan bij de vraag wat nu precies de definitie is van een toptalent. Ik denk dat we er verstandig aan doen ons te verlaten op de ervaringen van de jury van de Nederlandse Muziekprijs. Alleen al op grond hiervan moet worden vastgesteld dat het in het leven roepen van een speciaal instituut voor deze categorie - in feite een soort derde-fase-instituut - volstrekt lachwekkend en irreëel is.

Het rapport van de commissie-Haks voorzag in een adequate oplossing voor de toewijzing van opleidingen voor uitvoerende musici: twee hooggekwalificeerde tweede-fase-opleidingen in Amsterdam en Den Haag, waarmee ook in kwantitatief opzicht in voldoende mate tegemoet zou worden gekomen aan de vraag naar opleidingsplaatsen, in relatie tot het aantal getalenteerde muziekstudenten in ons land. Bij een goed functioneren van deze beide tweede-fase-opleidingen ontstaat vanzelf een voedingsbodem voor het zogenaamde toptalent waar de Raad voor Cultuur in haar advies over spreekt. Net zoals vandaag het geval is, zal dit talent voor een laatste grote beurt zijn heil zoeken bij grote kunstenaars in binnen- en buitenland, om ten slotte te worden geëerd met de Nederlandse Muziekprijs.

Nuis doet er verstandig aan het laatste Raadsadvies naast zich neer te leggen. Er ligt een goed doordacht advies van de Raad voor de Kunst uit 1994. Het zou een verademing zijn als hij zich deze keer, in weerwil van de dalende belangstelling voor zijn partij, niet zou laten leiden door politieke overwegingen, maar de moed zou hebben een besluit te nemen dat is gebaseerd op inhoudelijke overwegingen.

De realiteit is dat er al twee conservatoria zijn die, mede gezien hun docentenbestand, in staat moeten worden geacht om op tweede-fase-niveau èn op topniveau te leiden, maar zij ontberen de voor dit doel zo broodnodige financiële steun. Het toekennen van een tweede-fase-status aan nog meer instituten, zoals de Raad bepleit, leidt onherroepelijk tot versnippering en geldverspilling, nog daargelaten dat dit haaks staat op de praktijk en de realiteit van een muziekvakopleiding.

De tweede fase kan worden gezien als een voedingsbodem voor het toptalent. De eerste fase kan dezelfde rol vervullen voor studenten die naar een tweede fase streven. Hetzelfde kan gezegd worden voor de amateuristische muziekbeoefening, een van de zogenaamde voortrajecten die aan de vakstudie voorafgaan. Sinds de rijksoverheid deze verantwoordelijkheid heeft gedelegeerd aan de lagere overheden, zijn er signalen dat het veel geroemde muziekscholenstelsel in ons land in gevaar verkeert. Het bedenken van voorzieningen ten behoeve van de top is een loos gebaar als er geen prioriteit wordt gegeven aan voorzieningen aan de basis.