Meer steun slachtoffers vrouwenhandel

Vrouwenhandel moet strenger worden aangepakt, concludeerden de Europese ministers van Justitie en Emancipatie dit weekeinde. Een richtlijn voor overheden moet daarbij een belangrijke rol spelen.

DEN HAAG, 28 APRIL. Slachtoffers van vrouwenhandel moeten een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen. Op die manier kunnen zij, in afwachting van het proces tegen hun handelaar, gebruik maken van sociale, medische, juridische en financiële bijstand. Wanneer blijkt dat verhandelde vrouwen bij terugkeer naar hun land van herkomst gevaar lopen, moeten zij in aanmerking kunnen komen voor een permanente verblijfsvergunning. Dit zijn de belangrijkste punten uit een richtlijn die de ministers van Justitie en Emancipatiezaken dit weekeinde overeenkwamen op een EU-ministersconferentie over vrouwenhandel in Den Haag.

Hoewel de gezamenlijke verklaring juridisch niet bindend is, worden de EU-lidstaten wel geacht maatregelen te treffen op het gebied van preventie, opsporing, vervolging en slachtofferhulp. Zo hebben de deelnemers afgesproken met voorlichtingscampagnes te beginnen, niet alleen in de landen van de EU, maar ook in de landen waar vrouwen het risico lopen slachtoffer te worden van vrouwenhandel. De campagnes moeten vrouwen waarschuwen voor de schaduwzijde van mooie beloftes van buitenlandse 'zakenlieden'.

Voorts zal in iedere lidstaat een nationale rapporteur worden aangesteld die zich moet gaan richten op het voorkómen en bestrijden van vrouwenhandel. Om tot betere justitiële en politionele samenwerking te komen willen de lidstaten een uitgebreid databestand aanleggen. Europol zegde tijdens de conferentie toe zijn faciliteiten en kennis ter beschikking te zullen stellen voor de aanleg van zo'n bestand. “Maar dan moeten de lidstaten wel voldoende middelen op tafel leggen en de organisatie een adequate juridische basis geven”, aldus J. Storbeck, coördinator van Europol.

Sinds de vierde VN-wereldvrouwenconferentie in Peking (1995) is de aandacht voor vrouwenhandel toegenomen. Volgens schattingen van de International Organisation for Migration werden in 1995 een half miljoen vrouwen, vooral uit Midden en Oost-Europa, onder valse voorwendselen naar landen in West-Europa gelokt, waar ze veelal terechtkwamen in in de prostitutie. Volgens de Stichting tegen Vrouwenhandel komen jaarlijks tussen de vijftig en honderd aangiften van vrouwenhandel binnen. Het gaat volgens de stichting om het topje van de ijsberg; politiekorpsen zouden aangiften lang niet altijd doorgeven en ze niet centraal laten registreren.

Volgens minister Sorgdrager van Justitie is vrouwenhandel een probleem dat raakvlakken heeft met vele beleidsterreinen, zodat intensieve samenwerking onontbeerlijk is. “Het gaat om vraagstukken op het gebied van migratie, politie- en justitiesamenwerking en sociaal beleid. Vrouwenhandel kan alleen effectief worden bestreden door een multidiciplinaire en gecoördineerde aanpak”, zo zei ze zatderdag.

M.G. Giammarinaro, topambtenaar van het Italiaanse ministerie van Emancipatiezaken, hamerde op de noodzaak van een passende behandeling van het slachtoffer. “De Italiaanse recherche beseft dat de Mafia alleen kan worden aangepakt wanneer de groepscohesie binnen de criminele organisatie wordt doorbroken”, aldus Giammarinaro, die ervoor pleitte bij processen gebruik te maken van kroongetuigen en die te beschermen en een voorkeursbehandeling te geven. Hetzelfde geldt volgens haar voor verhandelde vrouwen: door hen bescherming te bieden kan hun stilzwijgen worden doorbroken én kunnen de daders sneller worden opgespoord.

Sorgdager toonde zich zaterdag tevreden over de uitkomst van de conferentie. “Er zijn goede afspraken gemaakt over de samenwerking tussen de verschillende Europese beleidsterreinen. In Nederland is het vrij vanzelfsprekend dat justitie, politie en slachtofferhulp de handen ineen slaan, maar op Europees niveau is dat een zeldzaam verschijnsel”, aldus Sorgdrager.

Europarlementariër H. d'Ancona was het daar niet helemaal mee eens. “Wat mij zo opvalt aan deze verklaring is dat het geen gedragscode, maar een richtlijn is. Het is een diplomatiek stuk waar ik niet al te veel van verwacht. Waar het uiteindelijk om draait is de input van alle niet-gouvermentele organisaties (NGO's): zij doen het eigenlijke werk. Ik vind het vreemd dat zij niet de kans hebben gekregen hun stem te laten horen.”

Het hoofd van de Directie coördinatie emancipatiebeleid bij het ministerie van Sociale Zaken, I. Brouwer, was vooral te spreken over het feit dat op de positie van het slachtoffer sterke nadruk werd gelegd. Zij schreef dat toe aan de Belgische affaire-Dutroux. “Sinds die affaire is vrouwenhandel prominent op de agenda gekomen en worden door landen gezamelijke acties ondernomen.”

Anders dan d'Ancona acht Brouwer het geen bezwaar dat de ministersconferentie in Den Haag geen gedragscode maar slechts richtlijnen heeft opgeleverd. “Hoe je het wendt of keert, we kunnen niet meer terug.”