Waarlijk flexibele tekstverwerkers

Hoog in de toptien van jong overleden begrippen: hightech. En terecht, want met hoog ontwikkelde technologie had hightech nauwelijks te maken. Hightech betekende vooral zichtbare techniek: lampen met blote bedrading, kasten zonder wanden, en natuurlijk het schoolvoorbeeld van hightech: het Parijse Centre Pompidou.

Hightech was vaak onpraktisch en lelijk, maar vooral in de jaren tachtig wel immens populair. Die populariteit is wel verklaarbaar. Zichtbare techniek is als vanzelf techniek die begrijpelijk lijkt, anders valt er immers weinig te zien. Tegelijk was hightech daardoor meestal juist behoorlijk lowtech.

In diezelfde jaren tachtig koerste één type echte grensverleggende technologie, de informatietechnologie, juist een heel andere kant op. Dik een decennium geleden was vrijwel alle software nog ontzettend hightech: gebruikers liepen meteen hardhandig op tegen het onbuigzame, mechanische karakter ervan, zo fraai gesymboliseerd in de moeder aller foutmeldingen: Syntax error. Hoewel tekstverwerkers als het aloude WordStar en de gespecialiseerde systemen van Wang een ware kantoorrevolutie ontketenden, was het daarmee toch moeizaam ploeteren langs dozijnen willekeurige, uit het hoofd te leren codes. Dat bleef ook zo onder het cryptische functietoetsenbewind van WordPerfect, de grote roerganger op tekstverwerkingsgebied van de vroege jaren negentig.

Toch kon je toen al zien waar het heen ging: de brute techniek werd langzaam achter het behang geplakt, terwijl de gebruiker meer in beeld kwam. Al in 1984 introduceerde Apple, geholpen door creatief jatwerk uit de laboratoria van Rank Xerox, de Macintosh, de eerste industrieel geproduceerde computer waarbij de techniek schuil ging achter een behoorlijke Graphical User Interface (GUI). Muisbesturing, menu's met zichtbare opdrachten, pictogrammen en drukknopjes veranderden het werken met de computer van een klassiek proefwerk in een open-boek tentamen. Wat later keek Microsoft de kunst weer van Apple af, en ontstond Windows.

De komst van de GUI's veranderde niet alleen de manier van besturen, maar ook de manier waarop gebruikers met de inhoud van hun werk omgingen. Voor die tijd zat de gebruiker nog heel erg een computerbestand te maken, een platte reeks woorden of getallen gelardeerd met printerinstructies, die op het scherm maar weinig weghad van dat nette rapport of de overzichtelijke balans die het voorstelde. Door de GUI's zong de presentatie op het beeldscherm zich al snel los van de manier waarop bestanden op schijf of diskette lagen opgeslagen, om steeds meer te gaan lijken op voor mensen geschikt drukwerk. Microsofts Word voor Windows, en in mindere mate een paar concurrenten als AMI-pro, gingen in dit opzicht voorop.

Die betere presentatie had een sneeuwbaleffect. De gebruiker kreeg zoveel meer greep op wat hij deed dat hij veel ingewikkelder bewerkingen aankon. Dat leidde op zijn beurt tot het toevoegen van steeds meer, steeds professioneler en specialistischer functies, en uiteindelijk tot overkill. De grote tekstverwerkers van nu zijn kerstbomen met takken die diep doorbuigen onder het gewicht van tientallen glimmende cadeautjes, die ieder apart maar voor een klein deel van de gebruikers interessant zijn. Bijna niemand realiseert zich dat tegelijkertijd de technologie nog een andere, uiterst belangrijke stap vooruit had gezet: er was iets gedaan aan de rigiditeit die computerprogramma's zo kenmerkt.

Traditioneel bepaalde de software-ontwerper op zijn eentje welke functies de gebruiker tot zijn beschikking kreeg, en hoe hij daarmee moest omgaan. De gebruiker had op dat stuk doorgaans niets in te brengen. WordPerfect was het eerste programma voor de massamarkt dat daaraan iets probeerde te doen, met behulp van macro's: gebruikers konden reeksen toetsaanslagen die zij veel gebruikten (bijvoorbeeld een aanhef boven een brief) opnemen en aan een toetscombinatie binden. Later konden er ook macro's worden geprogrammeerd, zodat gebruikers binnen zekere grenzen nieuwe functies aan het programma toe konden voegen.

Word voor Windows ging vanaf het begin veel en veel verder. Je kunt met behulp van Words macrotaal niet alleen functies toevoegen, maar ook standaardfuncties naar eigen inzicht aanpassen. Word is, kortom, ècht flexibel. Dat geldt voor functies, maar ook voor de organisatie van de besturing. Menu's, toetsenbord en knoppenbalken, alles kan naar wens worden ingericht en vormgegeven. Nog mooier: je kunt alles wat overbodig is of op het scherm in de weg staat in het niets doen verdwijnen. Dat gaat heel ver: fervente menuhaters staat het zelfs vrij om letterlijk alle menu's om zeep te helpen.

Word kan, kortom, zowel uiterlijk als qua vermogens precies die gedaante aannemen die de gebruiker prettig vindt. Toch kom je in de praktijk zelden een geoptimaliseerde Word tegen. Bijna alle beeldschermen tonen de drukke standaardlayout waarin het pakket wordt geleverd. Niet alleen wordt dus de bijkans barokke overdaad aan mogelijkheden niet gebruikt, ook de mogelijkheden om de zaak prettig te stroomlijnen blijven jammerlijk liggen, zodat de gebruiker verward tussen alle onbenutte knopjes en menukeuzes zijn weg moet blijven zoeken. Misschien komt dat wel doordat Microsoft, heel klantvriendelijk, bij levering alles uit de kast haalt en op het scherm zet. Optimaliseren betekent dan vooral mooie, duurgekochte dingetjes wegdoen. Dat voelt een beetje aan als zelf een kras maken op je nieuwe auto. Bovendien wekt het de ongegronde angst dat wat eenmaal weg is, nooit meer terugkomt. De fraaie, flexibele technologie onder de motorkap van Word voor Windows is wellicht meer gebaat bij een minder marketinggerichte, meer psychologische benadering. Bijvoorbeeld door de aanpak bij levering om te draaien: zo kaal mogelijk aanleveren, en de gebruiker zijn eigen pakket aan speciale functies laten ontdekken en samenstellen.