Is er nog hoop voor John Major?; Vallende Tories

Anthony Seldon (red): How Tory Governments Fall. The Tory Party in Power since 1783. Fontana, 516 blz. ƒ 31,75

De Britse Conservatieven doen zich graag voor als de natuurlijke regeringspartij. Alleen bij hen zou het land in goede handen zijn. De geschiedenis lijkt hen in zoverre gelijk te geven dat ze sinds 1895 liefst 70 jaar het vertrouwen van de kiezer hebben gekregen (nationale en coalitiekabinetten meegerekend). Maar zelfs Tory-kabinetten komen eens ten val.

Het boek How Tory governments fall probeert in kaart te brengen welke factoren daarbij een rol hebben gespeeld, te beginnen met de regering van de jonge Pitt, premier tussen 1783 en 1806. Dat begin ligt wel erg ver terug. Want Pitt mag dan de grondlegger van het moderne Toryisme zijn, hij functioneerde in een politiek bestel dat sterk van het huidige verschilde. In zijn tijd was de gunst van de koning voor het voortbestaan van een regering veel belangrijker dan die van de kiezer. Ook het uitgangspunt van dit boek is wat twijfelachtig. Nergens wordt uitgelegd waarom de val van Tory-kabinetten zonodig apart onderzocht moet worden. Betekent dit dat Liberale of Labour-regeringen op een geheel eigen wijze onderuit gaan?

Hoewel dit boek verschijnt ter gelegenheid van de alom verwachte val van de regering-Major, is het meer dan een gelegenheidswerk. Het bevat een reeks uitstekende historische analyses, gebaseerd op het meest recente onderzoek. Reputaties worden gemaakt en gebroken. Lord Liverpool, premier van 1812 tot 1827, heeft lang geleden onder het epitheton Arch Mediocrity dat Disraeli hem verleende. Hier wordt hij verdiend gerehabiliteerd door Norman Gash. Liverpool is de regeringsleider die het in de moderne tijd het langst heeft uitgehouden. Margaret Thatcher aasde op zijn record maar heeft het niet kunnen breken. Die lange diensttijd was meteen de enige overeenkomst tussen beiden. Verder was Liverpool ongeveer alles wat Thatcher niet was. Hij was de samenbindende figuur in een kabinet vol prima donna's. Thatcher was er juist op uit een gezelschap gelijkgezinden - 'one of us' was het criterium - om zich heen te verzamelen. Liverpool zocht het compromis in de binnenkamer en lette goed op de stemming in het land. Thatcher bezat de unieke kwaliteit, ook al regeerde ze met een ruime meerderheid, de indruk te wekken voortdurend in de oppositie te zijn. Anders dan Thatcher is Liverpool ook nooit gevallen. Hij werd ziek en ging dood. Zij werd uiteindelijk door haar eigen partij ten val gebracht.

Disraeli

Waar Lord Liverpool op een voetstuk wordt geplaatst, wordt Robert Peel ruw van het zijne gestoten. Van zijn reputatie dat hij het Conservatisme een menselijk gezicht probeerde te geven door het afschaffen van de protectionistische korenwetten (1846) blijft weinig over. Hier wordt hij getekend als een falende leider die het contact met zijn achterban verloren had, zijn partij in een onnodige crisis stortte en daardoor voor bijna dertig jaar de politieke woestijn injoeg. De Conservatieven werden daar ten slotte weer uitgeleid door Benjamin Disraeli. Hoe die op zijn beurt in 1880 ten val kwam, laat zien dat politiek soms heel grillig kan zijn. Het was aanhoudend slecht weer in het voorjaar van 1880. Disraeli voelde zich oud en miserabel en straalde dat ook uit. Zelfs zijn pauwen deelden in de misère en gingen van de weeromstuit in de rui. De kiezers begrepen dat het tijd was voor verandering en stuurden de Conservatieven naar huis. Disraeli's opvolger Lord Salisbury had zijn lesje geleerd. Hij organiseerde verkiezingen bij voorkeur in het hartje van de zomer. Dat had bovendien het voordeel dat de niet zo Conservatieve landarbeiders nauwelijks gelegenheid hadden naar de stembus te gaan.

Dat de Conservatieven in de twintigste eeuw zo langdurig aan de regering zijn geweest, is niet alleen hun eigen verdienste. Vaak konden zij profiteren van een verdeelde oppositie. Dit gold in de periode waarin de Liberalen geleidelijk werden afgelost door Labour, maar ook in de Thatcher-jaren toen de Labour-partij intern ernstig verdeeld was en worstelde met haar eigen socialistische en vakbondsverleden, en niet te vergeten met Europa. Daardoor kon Thatcher regeren met een grote meerderheid in het Lagerhuis, hoewel ze maar 42 tot 44 procent van de stemmen behaalde.

Kenmerkend voor de twintigste-eeuwse Tories is dat ze ideologische programmapunten doorgaans ondergeschikt maken aan het behoud van de macht en de eigen overleving. In 1945 leed de populaire oorlogsleider Churchill een verrassende nederlaag tegen Labour. De Conservatieven zagen de tekens aan de wand en annexeerden het Labour-ideaal van de Welfare State. In 1951 wisten ze de macht te heroveren om die pas in 1964 weer af te staan. In de tussentijd waren de programma's van Labour en de Tories zo op elkaar gaan lijken dat men sprak van Butskellism, een samentrekking van de naam van de Conservatieve hervormer Rab Butler en die van Labour-leider Hugh Gaitskell. Tony Blair heeft dat kunstje van aanpassing aan de tegenstander om zelf weer verkiesbaar te worden van de Conservatieven afgekeken.

Aangenomen dat John Major dit boek op zijn nachtkastje heeft liggen, kan hij er dan nog wat uit leren? Anthony Seldon probeert de spanning erin te houden met de platitude dat een verkiezing pas verloren is als de stemlokalen sluiten. Maar verder kan Major uit deze analyses toch weinig hoop putten. Veruit de belangrijkste factor in de onderzochte nederlagen blijkt de stijl van de leider, gevoegd bij een electoraat dat wel eens wat anders wil. De Tories beseften dat heel goed toen ze Thatcher, wier magie was uitgewerkt, in 1990 ten val brachten en vervingen door de kleurloze John Major, die zich vrijwel onopgemerkt een weg naar de top had gebaand. Major introduceerde vervolgens een meer op consensus gerichte stijl van regeren die hem zoveel krediet gaf dat het electoraat in 1992 bereid bleek het nog eens met de vernieuwde maar toch vertrouwde Conservatieven te proberen. Het publiek weet inmiddels wat het aan Major heeft. Als persoon wordt hij gewaardeerd - meer dan Thatcher en ook meer dan Tony Blair - maar als premier en partijleider is hij door de mand gevallen. Hij zal wellicht de geschiedenis ingaan als de zwakste premier van deze eeuw.

De truc van 1990

Het was niet mogelijk de truc van 1990 nog eens uit te halen en tussentijds van leider te wisselen. Daarom hebben de Tories nu gekozen voor een uitdagende strategie. Het beeld van een intern sterk verdeelde partij, waarin honderden Lagerhuisleden in eigen district voor hun politieke leven vechten, wordt gemaskeerd door alles op de kaart van de leider te zetten. En die leider is weliswaar zwak maar bezit ook een straatvechtersmentaliteit die juist in campagnes goed van pas komt. Bovendien opereert Major vanuit de 'comfortabele' positie dat hij, gezien de diepe crisis waarin zijn partij verkeert en haar vergaande impopulariteit, maar weinig te verliezen heeft. Dat geeft zijn campagne zelfs een zekere ontspannenheid. Voor zijn tegenstander geldt precies het omgekeerde. Tony Blair moet er vooral voor zorgen zijn grote voorsprong in de opiniepeilingen niet te verliezen. Hij kan eigenlijk alleen maar fouten maken. Vandaar ook zijn verkrampte optreden in de televisie-interviews met Jeremy Paxman en David Dimbleby.

De suggestie van de Conservatieven dat New Labour alleen maar in schijn veranderd is en nog steeds een speeltje van de vakbonden zou zijn, is zeker niet terecht. Dat blijkt wel uit de bezorgde commentaren van progressieve intellectuelen als Ross McKibbin en David Marquand over New Labours vergaande bereidheid de huik naar de wind te hangen. Labour heeft onder Blair een ingrijpende verandering doorgemaakt die evenwel ten koste is gegaan van programmatische duidelijkheid en ook het gevaar inhoudt de oude achterban van zich te vervreemden (al heeft die achterban geen echt alternatief). Vandaar dat de positie van Labours tweede man John Prescott zo boeiend is. Prescott is de Johan Cruijff van de Engelse politiek die een onversneden Old Labour-sentiment weet te verpakken in onnavolgbare anakoloeten. Door New Labour wordt hij gevreesd als ongericht projectiel en liefst ver van de Londense media gehouden. Tegelijk is hij echter een waarborg voor de traditionele aanhang dat Labour nog een ander gezicht heeft dan de eeuwige glimlach van Tony Blair en de clean-shaven gladheid van spin doctor Peter Mandelson. In tegenstelling tot Blair komt Mandelson overigens uit een echt Labour-nest: zijn grootvader was Herbert Morrison, socialistisch voorman uit de jaren dertig en veertig.

Als Tony Blair op 1 mei de verkiezingen weet te winnen, zal hij meteen met een overtuigend beleid moeten komen, zoals Harold Wilson dat deed in 1964. Verder zou hij er goed aan doen het boek van Seldon te lezen. Dat leert namelijk ook dat de Conservatieven deze eeuw niet alleen heel succesvol zijn geweest in het behouden van de macht, maar minstens evenzeer in het heroveren daarvan na een nederlaag. Eenmaal in de oppositie gingen de Conservatieven niet bij de pakken neerzitten en raakten ze ook niet - zoals het CDA bij ons - ten prooi aan algehele desoriëntatie. Ze hergroepeerden zich met als hoogste prioriteit zo snel mogelijk weer aan het bewind te komen. Blair is gewaarschuwd.