Het breekbare lichaam van een speciale renner

De deelnemers aan de Amstel Goldrace rijden morgen door de geboortestreek van Danny Nelissen. De wielrenner is bijna hersteld van een slow virus syndrom. Het zoveelste ongemak in een paar jaar tijd.

ROTTERDAM, 25 APRIL. In het Zuidlimburgse heuvelland, een parcours dat hij blindelings kan fietsen, is de soepele tred van Danny Nelissen morgenmiddag niet te bewonderen. De renners rijden langs het huis van zijn schoonouders in Berg en Terblijt, maar de voormalige wereldkampioen bij de amateurs prefereert een “een luie middag voor de televisie”.

De 26-jarige Nelissen kan nu al terugkijken op een bewogen loopbaan. Spaarzame hoogtepunten werden afgewisseld met terugkerende fysieke problemen. In de afgelopen zeven jaar heeft hij minstens een jaar niet kunnen fietsen, rekent hij voor. De ene tegenslag was nog niet overwonnen, of de volgende blessure diende zich aan. “Daarom ben ik nu ook zo nuchter. Ik heb geleerd om geduldig te zijn. En geloof mij: er is niet een broodrenner die simuleert. Je bent sportman in hart en nieren of je bent het niet.”

Nelissen was in 1989 de jongste beroepsrenner in het peloton, nauwelijks negentien jaar oud. Maar als neo-prof bij PDM leed hij aan een zeldzame vorm van de ziekte van Pfeiffer. Een vriendin van een vriendin bleek het virus van Epstein-Barr te hebben. Hij had uit haar glas gedronken. “Laatst las ik dat zo'n virus zich in een spier kan nestelen, bijvoorbeeld in je hartspier. Linke soep dus.”

Het is moeilijk te bewijzen, maar Nelissen vermoedt dat er een verband bestaat tussen de eerste virusinfectie, zijn vermeende hartafwijking en de virusinfectie die hij nu onder de leden heeft. “Ik beschouw het als een waarschuwing voor alle jonge renners die ook een bacterie hebben en gewoon doorrijden. Virussen zijn toch rare dingen en mensen kunnen ook rare dingen doen.”

Nelissen raakte in 1994 in opspraak nadat een medisch onderzoek in Veldhoven had uitgewezen dat zijn hart ritmestoormissen vertoonde. Zijn proflicentie werd ingetrokken, maar na een tweede onderzoek in Maastricht bleek sprake van loos alarm. Zijn geforceerde breuk met TVM was niet meer te lijmen. Hij keerde terug naar de amateurs, waar hij het leven en de wielersport leerde te relativeren. Mede door een sterk optreden bij het Nederlands kampioenschap verdiende hij in de zomer van 1995 een profcontract bij de Rabobank-formatie.

Bijna twee jaar later lijdt Nelissen volgens zijn behandelend geneesheer aan het slow virus syndrom, een postvirale infectie die bij een gewone burger nauwelijks wordt opgemerkt maar voor een wielrenner grote gevolgen kan hebben. Nelissen klaagde afgelopen winter over hoofdpijn en opgezette klieren. Hij reed een paar dagen in de Ronde van Mallorca, waar hij zich bijna over de kop fietste. Op advies van de ploegarts nam hij een rustpauze van een maand. Inmiddels heeft hij de training hervat. Het virus is bijna verdwenen, hij voelt zich kiplekker. Over twee weken maakt hij zijn rentree.

“Zo mysterieus als hij geveld is, zo mysterieus gaat hij nu weer aan de gang”, zegt zijn oom, de televisiecommentator Jean Nelissen. Neef Danny spreekt niet van een mysterie maar van een doodnormaal ziektebeeld. “De dokter wilde geen enkele risico nemen. Gezondheid is belangrijker dan fietsen, dat zie je aan Armstrong.” De Amerikaanse wielrenner herstelt momenteel van kanker. “Die jongen vecht voor zijn leven. Ik vecht alleen maar voor de lol en een paar centen.”

Manager Jan Raas van de Raboploeg beweert dat de sponsor geen enkele druk heeft uitgeoefend op een vervroegde rentree van Nelissen. “Voor Danny was het nog veel vervelender dan voor ons. Een renner wil maar een ding en dat is fietsen.” Raas herkent het eigenwijze karakter van zijn werknemer. “Het is een speciale, maar dat zijn vaak de beste jongens om mee te werken. Het is iemand die voor veel publiciteit heeft gezorgd. Dan zie je automatisch meer door de vingers.”

Nelissen blijft nuchter over zijn aanstaande rentree. “Ik ga gewoon mijn werk weer doen, klaar af. Ik heb de laatste tijd negenhonderd kilometer per week gereden. Reken maar uit hoeveel tijd je dan op de fiets zit. Volle bak! Ik verwacht dat ik gauw weer van voren rijd. Vroeger stapte ik ongetraind op de fiets en reed ik iedereen eraf. Misschien heb ik meer aanleg dan een gemiddelde renner.”

Voor Nelissen is de Vierdaagse van Duinkerken de eerste serieuze graadmeter. Aan de Franse kust zal hij worden geconfronteerd met de gezondheidscontroles die de internationale wielrenunie vorige maand heeft ingevoerd. Renners met een hematocrietwaarde (percentage rode bloedlichaampjes) van minimaal vijftig procent krijgen een startverbod. “Ik ben helemaal niet bang voor die controles. Ik vind het een hele goede zaak dat de gezondheid van de renners zo veel mogelijk wordt gewaarborgd. Gezond zijn is belangrijker dan fietsen. Zeker als je rikketik op het spel staat.”

Naar verluidt had Nelissen tijdens het WK in Colombia, in oktober 1995, een hematocrietwaarde die aanmerkelijk hoger lag dan de momenteel vastgestelde limiet. Na een hoogtestage in het Amerikaanse Colorado was hij in grote vorm. En hij bulkte van de rode bloedlichaampjes. Via de telefoon klinkt hij geërgerd als hij met deze informatie wordt geconfronteerd. “Wie heeft dat gezegd? Ik kan daar helemaal niets over vertellen. Nee, ontkennen kan ik het ook niet. Voor het ware verhaal moet je bij de dokter zijn.”

Ploegarts G. Leinders reageert eveneens geprikkeld als hij wordt geconfronteerd met de gezondheid van zijn patiënt. Hij houdt vast aan het beroepsgeheim. “Die jongen mankeert helemaal niets. Ik denk dat hij fitter is dan u. Alleen legt een renner de lat steeds hoger. Een gemiddelde van 45 kilometer per uur is tegenwoordig niet genoeg. Als hij zich niet goed voelt, kan hij zich niet inspannen op topniveau. De sport is dermate zwaar dat je helemaal niks mag mankeren.”

In Colombia won Nelissen op indrukwekkende wijze de regenboogtrui bij de amateurs. Hij reed destijds met een pijnstillende injectie, vanwege een sluimerende peesontsteking in zijn knie. Tot afgelopen najaar heeft hij gesukkeld met die blessure. In de Tour de France, waar hij vorig seizoen uitblonk in de eerste week, was hij al van grote afstand te herkennen door de 'warmtepleister' op de zere knie.

Door de gedwongen rustpauze is hij eindelijk van de pijn verlost. Hij heeft zijn zinnen gezet op een goed naseizoen en hoopt stilletjes op een startbewijs in de Tour. “Ik heb laten zien dat je met een blessure wereldkampioen kan worden. Waarom zou ik na een virus geen goede Tour kunnen rijden?”