Studieloting

De bezwaren van de heren Ten Cate, Van Rossum en Van der Vleuten tegen de voorstellen van de commissie-Drenth (NRC Handelsblad, 12 april) inzake de toelating tot de medische studie zijn gebaseerd op het gegeven dat er geen relatie is aangetoond tussen VWO-eindexamencijfers en de vier door hen belangrijk geachte eigenschappen voor toekomstige medische studenten.

Dit argument was twintig jaar geleden bij de invoering van de gewogen loting valide. Dit stelsel was gebaseerd op tamelijk willekeurige uitgangspunten aangezien er toen geen empirische gegevens beschikbaar waren over een eventuele relatie tussen VWO-eindexamencijfers en studiesucces.

Inmiddels zijn wij twintig jaar verder en is er alle tijd geweest om een aantal jaar-cohorten te vervolgen waarvan de eindexamencijfers, maar ook andere (school)prestatie bekend waren. Deze gegevens had men kunnen afzetten tegen zowel de studieresultaten als het verdere carrièreverloop en het functioneren van de leden van deze cohorten in het medische vak. Een dergelijk onderzoek had wellicht voorspellende factoren kunnen aantonen of, zo deze zouden ontbreken, het argument voor ongewogen loting kunnen leveren.

Gezien de door de jaren voortsmeulende discussie over de gewogen loting die onlangs tot ontvlamming is gekomen, had het duidelijk op de weg van de drie onderwijskundige geleerden c.q. hun voorgangers gelegen om een dergelijk, zeer maatschappelijk relevant, onderzoek uit te voeren. Aan de hand hiervan had de commissie-Drenth een op rationele gronden gebaseerd stelsel kunnen ontwerpen.

Aangezien de drie geleerden (of hun voorgangers) hun werk niet hebben gedaan vervalt mijns inziens ook hun recht om te opponeren tegen een nieuw, wederom op willekeurige gronden gekozen, stelsel.