Rotterdamse hoofdcommissaris van politie Hessing ruim half jaar in Parijs: 'Drugsprobleem houdt ons nog decennia bezig'

De Rotterdamse hoofdcommissaris Hessing werd na felle kritiek van Frankrijk op het Nederlandse drugsbeleid bij de ambassade in Parijs geplaatst om de relaties te verbeteren.

PARIJS, 24 APRIL. Er is weinig wat een hoofdcommissaris van politie kan doen om er niet als een politieman uit te zien. “Op de een of andere manier zien ze het toch altijd”, is zijn ervaring. Hoofdcommissaris Rob Hessing draagt een los jack over een makkelijk vrijetijdsshirt. We lopen over de Boulevard de Rochechouart, een drugsader in Noord-Parijs. Onze lokale gids aarzelt of hij met dit gezelschap gezien kan worden door gebruikers en handelaren.

Als blijkt dat de politieman, die sinds vorige zomer als diplomaat verbonden is aan de Nederlandse ambassade in Parijs, makkelijk en nonchalant meeslentert, ebt de angst weg. We slaan Boulevard Barbès in en dan rechtsaf de Rue Myrha, de hoofdstraat van de wijk die Goutte d'Or, de Gouden Druppel, heet. Een paar maanden geleden is hier een imam op klaarlichte dag in zijn moskee vermoord, in het bezit van onverklaarde miljoenen aan contant geld.

Zwarte en Noordafrikaanse immigranten bevolken de vele cafés en winkels waar wordt gepraat, gedronken en gehandeld. Vooral in drugs. “Dit is het centrum van de heroïne”, zegt Frédéric, die al jaren in de Parijse drugshulpverlening werkt. “Soms wordt de hele boel opgejaagd door de politie. Dan vluchten ze naar de buurt rond de Place de Stalingrad. Meestal worden ze hier met rust gelaten. Het rauwste volk, pushers en straatprostituees, is verder naar het noorden gedreven, naar de Boulevard Ney, net onder de Périphérique bij Porte de Clignancourt.”

De avond is gevallen. We lopen over de Boulevard de la Chapelle, waar de metro bovengronds langsratelt. Tegen pilaren en bouwhekken staan de eerste handelaren, een beperkte handelsvoorraad in de mond of de kont. De hoofdcommissaris ziet het beeld niet echt voor het eerst. De place de Stalingrad is een licht surrealistisch non-plein, een ronde tempel en een verhoogd stenen parklandschap met uitzicht op het water van het Bassin de la Villette en de omringende gerenoveerde yuppenflats. Dit grote stadstheater zou door Magritte of Delvaux geschilderd kunnen zijn. Het is het crackcentrum van Parijs. Cocaïne wordt verhandeld in de nettere wijken in het westen van de stad.

Hessing ziet geen dingen waar hij nog nooit van heeft gehoord. “De feitelijke situatie hier is niet anders dan bij ons.” De politie is in Parijs, zoals in de meeste andere grote steden, pragmatisch, uit op beheersing van overlast, beperking van de schade aan mensen en goederen. En al was het anders, na acht maanden is het hem glashelder dat zijn rol niet zo spectaculair kan zijn als men vorig jaar had gedacht toen het kabinet hem naar Parijs zond. Senator Masson had Nederland net een 'narco-staat' genoemd. De hoofdcommissaris van Rotterdam, die zo effectief met drugs en de publieke opinie had weten om te gaan, werd naar het hol van de leeuw gezonden, als gebaar van goede wil.

Na ruim een half jaar op zijn nieuwe post zegt de 'ambassaderaad voor politie- en justitiezaken': “De Franse overheid ervaart het als een aanzienlijke investering dat Nederland iemand als mij hier heeft neergezet. Ik heb overigens niet de indruk dat de Franse pers in opwinding is geraakt door mijn komst.” Dat was eerder het geval bij de Nederlandse media. Iedere zich zelf respecterende omroep heeft zich gemeld. De meeste heeft Hessing teleur moeten stellen.

“Men heeft een verkeerd beeld van taak en functie gehad, vrees ik. Men dacht dat ik in drie maanden wel even resultaat zou boeken. Tegen al die journalisten die me wilden spreken en filmen heb ik in het begin gezegd: kom later maar terug. Ik had niks te vertellen, maar ik heb straks nog steeds niks te vertellen. Niet omdat ik niets doe of bereik, maar omdat diplomatiek werk volstrekt anders is. Men was een openheid van mij gewend die niet past bij dit werk. Misschien is dit wel mijn laatste interview.”

Hessing is niet degene die even de vrede tussen Nederland en Frankrijk regelt. De 'drugsdiplomaat' van vorige zomer herinnert eraan dat hij door minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken), mede namens de minister van Justitie, in de eerste plaats werd uitgezonden om de “Frans-Nederlandse samenwerking op politiegebied te versterken”. In een volgende alinea van het communiqué dat zijn detachering bekend maakte wordt gemikt op “de verdere uitbouw van de politiële en justitiële samenwerking, mede in Europees perspectief, en in het licht van de wens de betrekkingen tussen Frankrijk en Nederland te verbeteren”. In de daarop volgende alinea van deze ambtelijke drietrapsraket staat dat de benoeming een stap is in de verbeterde samenwerking “op het gebied van politie, justitie en douane tussen Frankrijk en Nederland in de strijd tegen drugshandel en andere vormen van georganiseerde misdaad”, waartoe Kok en Chirac eind 1995 hadden besloten. Met andere woorden: Den Haag hoopte een beetje op wonderen, maar begreep dat samenwerking al een stap voorwaarts was.

Men vroeg Hessing drie jaar in Parijs aan de verbetering van de samenwerking te besteden. Hij stelde zijn opdrachtgevers zelf voor na twee jaar al wederzijds te kijken of zijn missie beviel. Nu zegt hij: “Ik ben tot de conclusie gekomen dat twee jaar te kort zal zijn. Vier jaar is nog niets. Dit is werk van kleine stappen. Ik geloof niet in samenwerking op incidentele basis. Het is voor alle betrokkenen worstelen, gezien de heterogene regelgeving waar ieder mee moeten werken. Samenwerking lukt alleen als je elkaar kent en vertrouwt. Ik ben hier op zoek gegaan naar die samenwerking omdat de omstandigheden ons er toe dwongen. In '95 waren wij uit Rotterdam in Lille gaan kijken, maar politiële samenwerking in Europa is volstrekt braakliggend terrein. Als korpschef van Rotterdam wist ik niet eens wat Nederland met Frankrijk afsprak. Er is geen enkel Frans korps dat structureel met een Nederlands korps samenwerkt.”

Hessing is inmiddels zo ver dat dit najaar de Nederlandse Raad van Hoofdcommissarissen een officieel bezoek aan Frankrijk kan brengen. Dat zal in Parijs en een een paar andere grote steden zijn waar een prefect van politie de leiding heeft. In andere regio's van Frankrijk bestaan verschillende politiesoorten naast elkaar zonder overkoepelend gezag ter plaatse: “Het is daar moeilijker een collega te vinden met min of meer gelijke bevoegdheden en verantwoordelijkheden als die van een korpschef in Nederland”, zegt Hessing. Hij hoopt dat de Fransen in '98 een tegenbezoek aan Nederland zullen brengen. Bovendien is hem gebleken dat de Franse officieren van justitie graag regelmatig contact met het Nederlandse openbaar ministerie willen hebben. Ook daar wordt aan gewerkt.

Niet alleen de taalbarrière moet worden overwonnen - Hessing spreekt inmiddels genoeg Frans om zijn contacten te onderhouden. Hij vond het “beledigend voor Franse twaalfjarigen” dat hem in het Algemeen Dagblad onlangs werd verweten dat hij Frans praat als een twaalfjarige. “Praatte ik in het begin maar als een twaalfjarige. Inmiddels zit ik wel op het niveau van een achttienjarige, denk ik, en het blijft vooruit gaan.”

De Franse autoriteiten waar hij mee spreekt zijn open en openhartig, is Hessings ervaring. Het is alleen zaak welles-nietes-gesprekken over het Nederlandse drugsbeleid te vermijden. “Ik probeer uit het belang van veiligheid te praten. Als je 't alleen over drugs hebt loop je het risico in een greppel terecht te komen. Maar iedereen wil veiligheid, iedereen wil concrete resultaten op straat, iedereen wil een balans tussen preventie van drugsgebruik, het terugdringen van de overlast en de verslaafdenzorg, zowel in Frankrijk als in Nederland. Repressie doen we ook alletwee. De zorg krijgt in Frankrijk meer aandacht, onder meer naar aanleiding van het Nederlandse voorbeeld. Nederland op zijn beurt is bezig een beter evenwicht te vinden tussen repressie, preventie en zorg. We werken samen, ondanks verschillen in beleid.

“Ik heb hier de indruk gekregen dat de Fransen steeds meer overtuigd raken dat Nederland veel inspanningen verricht, niet alleen om de Fransen te behagen, maar ook om eigen problemen op te lossen. Operatie Victor ontstond in Rotterdam niet op verzoek van de Fransen, maar door de lokale noodzaak. Het publiek was de overlast van de criminaliteit gewoon zat geworden. Als ik op eigen houtje drie jaar eerder vijfduizend mensen had aangehouden dan zou ik aan de schandpaal zijn genageld, dat zouden 'razzia's' zijn geweest.”

De hoofdcommissaris, die gewend raakt aan het “diplomatieke werk in stilte en schaduw”, is zeer erkentelijk voor de wijze waarop ambassadeur Wijnaendts hem in Parijs wegwijs heeft gemaakt en heeft voorgesteld aan belangrijke Fransen. Als de ambassadeur de benoeming al heeft ervaren als een lichte vorm van kritiek uit Den Haag, “dan heeft hij dat niet laten blijken; het tegendeel is waar”, zegt Hessing. Gelouterd door deze spoedcursus diplomatie blijft hij ook optimist: “Omdat Fransen anders denken over softdrugs kan men nog niet zeggen dat we 't vierkant oneens zijn.” Het ideale einddoel van zijn missie ziet Hessing aan de horzion: “Alle vijftien EU-lidstaten kunnen niet allemaal tegelijk met elkaar intensief en praktisch gaan samenwerken op politiegebied. Zou het niet aardig zijn als Frankrijk en Nederland samen het model opzetten van hoe dat moet. Als dat lukt, zal de rest wel volgen.”