Kantoren

EEN KWART VAN ALLE WERKENDEN, één op de tien Nederlanders, slijt zijn dagen in een kantoor. Zestig jaar geleden verrichtte maar zeven procent kantoorarbeid. Meer dan tweederde van de werkende Nederlanders maakt tegenwoordig produkten die niet of nauwelijks tastbaar zijn. Deze ingrijpende verandering van de samenleving heeft grote invloed gehad op de inrichting van het land.

In zestig jaar tijd is de ruimte per kantoorarbeider met circa vijftig procent toegenomen. Archieven, vergaderruimte, kantines en betere arbeidsvoorwaarden deden de ruimtebehoefte groeien. Per inwoner is nu ongeveer twee vierkante meter kantoorvloer in gebruik. Vergeleken met het landbouwareaal is dat nog een schijntje: in 1996 was op elke Nederlander 1.279 vierkante meter grond met een agrarische bestemming. Maar dit cijfer is sinds de jaren dertig gehalveerd, terwijl de kantoorvloeren nog altijd groeien.

Gemeenten stimuleren deze ontwikkeling. Kantoren zijn prestigesymbolen, de vestiging van een multinational is een unique selling point van een moderne stad. Het zijn de magazijnen van werkgelegenheid voor de stedelijke bevolking. En hoe meer kantoren er zijn, des te meer er bijkomen. Kantoren zoeken elkaar op. Zo ontstaan grote locaties: kantorenboulevards die de grootstedelijke infrastructuur benutten, maar ook dichtbij de uitvalswegen zitten.

De auto bepaalt de keuze voor een locatie. Volgens onderzoek zullen in de jaren tot 2005 vooral de bedrijven groeien met 'ambulante' werkgelegenheid. Bedrijven dus die de klanten opzoeken - en bijvoorbeeld niet de banken en overheden, waar het baliepersoneel op de cliënt wacht. Veel gemeenten proberen deze ontwikkeling een halt toe te roepen. Den Haag bijvoorbeeld, dat alleen bij de stations nieuwe kantoren wil. En Eindhoven, waar naast nieuwbouw slechts een zeer beperkt aantal parkeerplaatsen mag komen. Maar wie een ondernemer vraagt wat onontbeerlijk is voor zijn kantoor krijgt als antwoord: de bereikbaarheid per auto. Op de tweede plaats komt parkeerruimte.

Bijna alle onderzoeken en beleidsplannen richten zich op de grootverbruikers met meer dan vijfhonderd vierkante meter. Maar van alle kantoorvestigingen is 85 procent kleiner. En de helft van alle kantoorwerkers werkt in een pand dat niet als kantoor is gebouwd, maar bijvoorbeeld als winkel of huis. Voor deze kleine gebruikers wordt nauwelijks gebouwd. Zij blijven onbekend, komen nauwelijks voor in de statistieken.