Hora est?

De Thoma Fele nec non et de larva Bommelsteiniana. In het Latijn vertaald door K.H.E. Schutter. Uitg. Panda, Den Haag; ISBN 90 6438 118 6.

Aan het einde van Marten Toonders verhaal 'Het spook van Bommelstein'(1974) krijgt het spook het benauwd. Zijn tijd is bijna om. Hij moet weer terug in de fles waaruit hij is ontsnapt. Onlangs kreeg ik een Latijnse vertaling van dit Bommelavontuur in handen. Het heeft wel wat, zo'n Latijnse Bommel op je salontafel, gebonden, met leeslint en nog mooi Latijn ook. Van Asterix, Alice in Wonderland en Winnie de Poeh bestaat al een Latijnse versie. Waarom zou Heer Bommel dan niet vir Bommelius kunnen worden?

Toonders taalgebruik is archaïsch genoeg om de vertaler te inspireren. Als heer Ollie door Joost wordt aangesproken klinkt het:Oliveri, ere mi; Tom Poes is Thomas Feles, Joost natuurlijk Justus. Namen die in het oorspronkelijke Nederlands betekenisdragend zijn, blijven dat ook in het Latijn. Zielknijper wordt Torquanimus; de Latijnse variant van brigadier Snuf is vigil Scrutarius en natuurlijk is de Oude Schicht omgedoopt in Sagitta Antiqua.

In de originele versie doorspekt de markies De Canteclaer zijn taal met Franse uitdrukkingen. De Cantoclarius spreekt af en toe Grieks. 'Tiens!' wordt 'Idou!' Niet zo gek, want de Romeinse intelligentsia sprak onderling Grieks, zoals onze deftige voorouders Frans. Het bargoens van de schurk Gorre Eenoog (Gorrius Luscus) is een soort Punisch geworden.

Als de uit de fles ontsnapte geest van het spook weer terug moet in de fles omdat zijn tijd bijna om is, klinkt het: Eheu, eheu, paene hora finita est!

“Ach, ach, het uur is bijna voorbij!” Hora finita? Waarom niet: Hora est?

Hora est! Als die verlossende woorden klinken is het benauwendste deel van de promotie tot doctor aan een Nederlandse universiteit voorbij. De pedel komt de senaatskamer binnen, zachtjes rinkelend met zijn staf met belletjes. Midden in de zin mag de promovendus stoppen, de hooggeleerde die juist aan het woord was moet zijn betoog afbreken. Ook Nederlanders die geen Latijn in hun pakket hadden, kennen de betekenis van deze geladen woorden. Zij markeren een rite de passage die van een zwoeger ineens een geleerde maakt.

Toch is hora est volgens Latijnse puristen niet zo goed Latijn. In Groningen zegt de pedel daarom: hora finita. Dat is niet alleen beter Latijn, het klinkt met een Groningse tongval ook veel beter. De Groningse hoogleraar Latijn P.J. Enk (1885-1963) heeft die verandering doorgevoerd.

Zo leidt het spoor van deze Latijnse Bommel naar Groningen. De vertaler promoveerde in 1952 op een geheel in het Latijn gesteld proefschrift over de komedies van Plautus. De komediedichters Plautus en Terentius hebben met hun levendige dialogen dan ook model gestaan voor deze Latijnse vertaling. Een knappe prestatie, tibi si liquet quid mihi velim - “als je begrijpt wat ik bedoel”.