Het schandaal van de Cannerberg

Defensie had het personeel van NAVO-commandocentrum de Cannerberg beter moeten beschermen tegen asbest, deelde staatsecretaris Gmelich Meijling gisteren mee. Daarmee nam hij de verantwoordelijk op zich voor jarenlang talmen door Defensie.

MAASTRICHT, 24 APRIL. De Cannerberg die het dal van de Jeker ten zuiden van Maastricht flankeert biedt bovengronds een arcadische aanblik. Hier liggen de wijngaarden van de Apostelhoeve in de blakende zon en even verder ligt het vermaarde Château Neercanne. De blokbrekers, die hier eeuwenlang de mergelblokken uit de berg haalden, hebben een gangenstelsel achtergelaten dat voor vele doeleinden gediend heeft. De paters Jezuïeten hadden er een weekendverblijf, de sommeliers van Château Neercanne bewaren er nog steeds hun wijn, Belgische tuinders telen er grotchampignons en de NAVO had hier van 1960 tot 1992 een Joint Operation Centre ondergebracht, dat in het diepste geheim en buiten ieder bomrisico moest kunnen opereren. Maar hoe goed het centrum ook tegen atoombommen en luistervinken was beschermd was, met alledaagse gevaren was minder rekening gehouden. Toen in 1966 brand ontstond in de keuken, bleken in het ventilatiesysteem zoveel brandbare stoffen aanwezig aanwezig, dat de onderaardse bunker binnen de kortste keren met een dikke rook werd gevuld. Om het gevaar te bezweren werd besloten tot het aanbrengen van een laag asbest op de brandgevaarlijke leidingen. Tussen 1967 en eind 1970 wordt stap voor stap het brandgevaar weggenomen door blauw asbest (crocidoliet) op de leidingen te spuiten.

Defensie werd wel al ongerust nog voordat het isolatiewerk in de Cannerberg was voltooid. Metingen van de Arbeidsinspectie toonden al in 1971 hoge concentraties, onder meer longvlieskanker veroorzakende, asbestvezels in de lucht aan. Maar dat Defensie deze gegevens alarmerend vond, kan moeilijk worden gezegd. Er werd niets ondernomen en toen in 1976 na een onderzoek door een speciale afdeling van het Britse leger wel maatregelen werden aanbevolen, werd dat advies niet opgevolgd. De eigen Arbeidsinspectie van het Britse leger pleitte later dat jaar zelfs voor verwijdering van het asbest, maar dat resulteerde alleen in een verbod om langs de buizen aan de muren of de plafonds te klimmen.

In 1977, toen ook vertegenwoordigers het Duitse leger ongerust was geworden, deed TNO nieuwe metingen, die tenslotte tot een schoonmaakactie leidden, maar die beperkte zich tot het verwijderen van het losse stof dat kon opdwarrelen. Zo bleef Defensie doorgaan met metingen, die gevolgd werden door halve maatregelen. Eind 1991 kwam TNO in een rapport, dat nu pas boven water is gekomen, tot de conclusie dat in de Cannerberg sprake was van “een verhoogd risico bij werknemers voor blootstelling aan asbestvezels. Het ernstige gezondheidsrisico dat daarmee gepaard gaat, maakt ingrijpen zeer urgent.”

De toenmalige staatssecretaris van defensie Van Voorst tot Voorst deelde de betrokkenen daarop mede dat de concentraties volgens de metingen van TNO binnen de grenswaarden bleven zolang er niet in de technische ruimten werd gewerkt. Een jaar later werd de bunker gesloten, officieel wegens een reorganisatie binnen de NAVO in West-Europa.

Niet bekend