Omvang Turks schandaal blijft verhuld

Een auto-ongeluk vormde het begin van het Susurluk-schandaal in Turkije. Inmiddels is duidelijk dat de Turkse staat daadwerkelijk is betrokken bij illegale activiteit, maar hoever blijft verhuld.

ANKARA, 23 APRIL. Turkije zal nooit meer zo worden als voorheen, beloofden de media en oppositiepartijen na het auto-ongeluk op 3 november bij Susurluk aan de westkust van Turkije. Hierbij waren een mafialeider, een hoge politiefunctionaris, een parlementariër en een voormalige schoonheidskoningin betrokken. De vier, van wie slechts de parlementariër het er levend van afbracht, zijn inmiddels uitgegroeid tot het symbool van het schandaal rond de banden tussen politie, staat en mafia.

Bijna zes maanden later is het duidelijk dat in de strijd tegen de (Koerdische) terreur vrijwel alles was geoorloofd en dat de Turkse staat daadwerkelijk is betrokken bij illegale activiteiten als de handel in verdovende middelen en wapens en provocaties als het vermoorden van (Koerdische) politici en activisten en het uitvoeren van bomaanslagen. “Maar de werkelijke omvang van het Susurluk-schandaal”, aldus Yasar Topçu van de oppositionele Moederlandpartij, “zal nooit boven water komen zolang de huidige regering aan de macht blijft”.

Topçu maakt deel uit van de parlementaire commissie die de afgelopen maanden aan de hand van de getuigenissen van 57 betrokkenen en 100.000 documenten de banden tussen de politie, staat en de mafia onderzocht. Met de uitkomst van het onderzoek - dat 'gangsters in uniform' banden hebben met veiligheidsfunctionarissen en politici, maar dat deze criminele organisaties niet door de staat zijn opgericht - kan Topçu zich echter niet verenigen. Samen met enkele andere commissieleden schreef hij een alternatief rapport, waarin ook beschuldigend in de richting van Tansu Çiller, de huidige vice-premier en minister van Buitenlandse Zaken en vanaf midden 1993 tot september 1995 regeringsleider, en haar man Özer Çiller wordt gewezen. “Het is onmogelijk dat bureaucraten dergelijke activiteiten konden uitvoeren zonder de actieve steun en bescherming van de minister-president”, meent Topçu.

Het staatsveiligheidshof in Istanbul heeft ruim twee maanden geleden aan premier Necmettin Erbakan gevraagd om de parlementaire onschendbaarheid op te heffen van Sedat Bucak, de parlementariër die bij het auto-ongeluk was betrokken, en Mehmet Agar, voormalig hoofd van de politie en minister van Binnenlandse Zaken die nu namens de DYP in het parlement zit, zodat de twee kunnen worden berecht. Agar, die na het ongeluk bij Susurluk als minister moest aftreden, wordt samen met Çiller verantwoordelijk gehouden voor de overname door de illegaliteit van het 'speciale bureau' binnen het Turkse ministerie van Binnenlandse Zaken dat zich met de bestrijding van terreur bezighoudt. Vanuit dat bureau werd geleidelijk aan ook de strijd tegen de separatistische Koerdische Arbeiders Partij (PKK) gecoördineerd, die sinds 1984 actief is in het Zuidoosten van Turkije. Dit 'speciale bureau' is de opvolger van Gladio, een netwerk van geheime sabotagegroepen die moest worden ingezet na een eventuele Sovjet-invasie. In tegenstelling tot de situatie in de meeste andere NAVO-landen werd Gladio na het tijdperk van de Koude Oorlog in Turkije niet ontmanteld, maar kreeg deze organisatie met het oog op de binnenlandse problemen een nieuwe rol.

Bucak is een vooraanstaande stammenleider uit het Koerdische Zuidoosten, die samenwerkt met de Turkse staat. Hij beschikt over tenminste 10.000 dorpswachters, die door de staat worden betaald om de PKK te bestrijden. Tal van dorpswachters, er zijn er inmiddels in totaal zo'n 60.000, maken zich in naam van de PKK schuldig aan afpersingen, het vermoorden van Koerdische burgers en de illegale handel in drugs en wapens. Bucak maakt eveneens deel uit van de DYP van Çiller.

“Erbakan heeft het verzoek van het staatsveiligheidshof nog steeds niet doorgestuurd naar de voorzitter van het parlement”, onderstreept Yildirim Kaya, vice-voorzitter van de vorig jaar opgerichtte socialistische Partij voor Vrijheid en Solidariteit (ÖDP), “omdat hij niet wil dat de betrokkenheid van zijn coalitiepartner, de DYP, aan het licht komt. Dat zou de val van de regering betekenen.” De ÖDP ging zondag samen met de pro-Koerdische HADEP-partij, vakbonden en andere democratische organisaties in Ankara de straat op om 'het rapport van het volk' met betrekking tot het Susurluk-schandaal openbaar te maken. Ook de leider van de Democratische Linkse Partij (DSP), Bülent Ecevit, beschuldigde de regering-Erbakan deze week van “een gebrek aan politieke wil om de banden tussen de politie, de mafia en de staat te ontrafelen”.

Volgens Topçu proberen Erbakan en Çiller “nu de schijn te wekken dat slechts ambtenaren bij illegale activiteiten waren betrokken, om zo te voorkomen dat er verder onderzoek wordt verricht. De parlementaire commissie was van mening dat de vice-premier en haar man als getuigen moesten worden gehoord, maar voorzitter Mehmet Elkatmis van de Welvaartspartij zag daar later, zogenaamd wegens gebrek aan tijd, van af. Dat was het moment waarop de commissie uiteen viel”, zegt hij. “Het was duidelijk dat de parlementariërs van de regeringspartijen onder druk stonden om het onderzoek te torpederen.”

Betrokkenheid van Çiller en haar man bij het Susurluk-schandaal was in december ook al gebleken aan de hand van bewijsmateriaal dat Mesut Yilmaz, leider van de Moederlandpartij, toen aan de regering weigerde over te dragen. Die informatie was hem toegespeeld door het toenmalige hoofd van de politie in Istanbul, Kemal Yazicioglu, die zich tegen de infiltratie van de mafia in de staat verzette. Het handelde daarbij om de moord op mafialeider en casinobaas Ömer Lütfü Topal. “Hij was geen Koerd maar hij werd toch afgeschilderd als een handlanger van de PKK om zijn dood te rechtvaardigen”, aldus Topçu. “Uit getuigenissen voor de onderzoekscommissie is nog duidelijker geworden dat de Çillers erop uit waren om de omvangrijke casinohandel in Turkije onder hun beheer te krijgen. Daarbij werd gedaan of er een hoger doel werd nagestreefd: het opdrogen van de PKK-inkomsten.” Volgens Topçu weigerde de onderzoekscommissie eveneens om Safiye Topal, de wettige echtgenote van de vermoorde mafiabaas, te horen. Zij zou tegen de advocaat van haar man, die wel een verklaring heeft afgelegd, hebben gezegd dat “Özer Çiller een hand had in de dood van haar man”. Een Duitse rechter heeft onlangs eveneens de naam van de Turkse vice-premier genoemd in een drugszaak. Enkele Turkse drugsbaronnen die in West-Europa operen, waaronder Huseyin Baybasin in Nederland, zouden volgens hem op haar bescherming kunnen rekenen.

“Het Susurluk-schandaal is voor ons meer dan een symbool van de vermeende banden tussen de politie, mafia en staat”, zegt Kaya van de ÖDP. “Het is een locomotief om een meer democratisch Turkije af te dwingen. Voor het eerst verheffen burgers, zowel Koerden als Turken, nu hun stem en gaan ze gezamenlijk de straat op om opening van zaken te eisen. Doofden in februari niet 35 miljoen mensen elke avond een minuut het licht in hun huis om Turkije voor eens en voor altijd uit het donker te halen?”