Milieu is politiek

Met het vieren en herdenken kunnen we er niet vroeg genoeg bij zijn. Volgend jaar zal het dertig jaar geleden zijn dat de Club van Rome werd opgericht. De toekomst die de vijftig geleerden de wereld in het vooruitzicht stelden, veroorzaakte vooral in het Westen en in het bijzonder hier angst, paniek en goede voornemens.

Een aantal van de voornemens is uitgevoerd, er is geen westers land dat niet een milieuwetgeving heeft en omvangrijk investeert in behoud en verbetering van ecologische zegeningen. De angst en paniek zijn verdwenen en de Club heeft zich vertakt tot een grote familie van verenigingen en bewegingen waarvan het doel is, bescherming te geven aan 'de natuur die ons is overgebleven'.

De Club heeft nog meer resultaat gehad. Er zijn weinig mensen in de westerse wereld die niet het beste met de natuur voor hebben, en van die bedoeling ook regelmatig en ernstig laten blijken, zelfs iedere week door braaf hun voorgesorteerd afval op de stoep te zetten. En nu blijkt dat de zorg om het milieu, en zelfs het vermoeden dat de kwaliteit van lucht, water en groen er deze eeuw niet beter op zal worden, gemakkelijk kan samengaan met opgewekte denkbeelden over de toekomst.

Hierin ligt het politieke vraagstuk van de milieubeweging. In de bloeitijd van de Club waren angst en paniek niet voldoende om inspiratie en een grondslag te geven aan een milieubeweging die een politieke macht was, en dus politieke verantwoordelijkheid droeg. Bijna dertig jaar later is er in dit opzicht vrij weinig veranderd. De politiek heeft wel veel van de milieubeweging geleerd, maar de beweging heeft niet veel verstand van politiek gekregen.

In Nederland is dit misschien duidelijker door twee oorzaken. Overbekend, een axioma van de jongste vaderlandse geschiedenis, is dat we met steeds meer mensen leven op een grondgebied dat alleen tegen hoge kosten een klein beetje kan worden uitgebreid (en ongelukkigerwijs is weer het grootste deel daarvan al eigendom van 'de natuur'). De tweede oorzaak is dat het land na jaren van twijfel en gesukkel weer een fase van economische groei heeft bereikt, en de wereld het 'poldermodel' toont. Het aantal miljonairs is nog nooit zo groot geweest, en sinds jaren het aantal werklozen niet zo klein. De koopkracht neemt gestaag toe, de middenstand is blij.

De ingewikkelde, economische en ecologische vraag is nu, welk verband er is tussen een bloeiende economie en verval van het milieu. En de daarop volgende, betrekkelijk eenvoudige politieke vraag (aangenomen dat er verband bestaat, maar dat hoeft niet te worden aangenomen, want het is een geloofsartikel): hoe zal men dan de daaruit voortvloeiende keuze programmatisch verwerken?

Concreet gezegd: als we bijvoorbeeld het vliegen naar Parijs willen beperken, moeten we dan niet de trein aantrekkelijker maken door die sneller te laten rijden? En als we de trein zo snel en goedkoop mogelijk willen maken, zou het dan geen aanbeveling verdienen om af te zien van de tunnel voor de HSL onder Hazerswoude en omgeving? Of moeten we het Groene Hart sparen, tien jaar wachten tot de tunnel is aangelegd, en tot die tijd dan maar blijven vliegen of met de auto (CO2) gaan. Of is het beter, de komende tien jaar maar helemaal niet meer naar Parijs te gaan, of met de boemel die na Brussel pas hard begint te rijden?

Misschien maakt dit vereenvoudigd keuzescala een wat demagogische indruk. Het dient alleen om aan te geven dat in Nederland iedere keuze waarmee economie en milieu zijn gemoeid, een politieke keuze is, waardoor het bestaan van tallozen wordt beïnvloed, de kwaliteit van het bestaan zoals we het sinds Joop den Uyl noemen. Aan deze kwaliteit werd toen afbreuk gedaan door de aard van het werk. (Een boterham met tevredenheid is de titel van de door Frits van der Poel en Abram de Swaan gemaakte, historische televisiedocumentaire die de vervreemding van eentonig werk en het daarmee gepaard gaande lijden tot onderwerp had). Vervolgens is de ongeneselijk gewaande werkloosheid gekomen. De psychische stoornissen die daardoor teweeg zijn gebracht, zijn grondig beschreven en door de zorgsector zeer terecht in behandeling genomen. Bewezen of niet, het is ook alweer een geloofsartikel dat psychische stoornissn en crimineel gedrag door werkloosheid worden bevorderd. En nu, met de groeiende economie, dreigende stress en andere zenuwachtigheden, tot volkskwaal te worden. Van ministeriële zijde wordt overwogen, maatregelen tot onthaasting te nemen.

In de maatschappij die de politiek en de kiezers intussen hebben veroorzaakt, wordt de toon overwegend gezet door het verlangen naar werk, bij voorkeur werk met een hoge beloning, die uitzicht geeft op meer consumptie, waarvan een deel dan weer - door verre luchtreizen, autorijden, afval en lawaai bijvoorbeeld - het milieu zwaarder belast. Dat mag een waarheid als een koe zijn; het complement daarvan, vaak verdrongen, is dat voor een minder belast milieu allerlei geliefde bezigheden van nu zullen moeten worden prijsgegeven.

Zeker, zegt de milieubeweging, en verwijst naar het Groene Groeimodel. Maar zo eenvoudig gaat het niet. De Club van Rome heeft zich dertig jaar geleden ertoe bepaald, het universele onheil te voorspellen en zich verre van politieke verantwoordelijkheden gehouden. De dagelijkse waarneming vertelt de mensen dat het daarmee tot dusver ontzaglijk is meegevallen. Zou dat ook niet zo kunnen zijn met het onheil dat nu wordt voorspeld, terwijl het vrijwel zeker zo is dat de meesten de bestaanskwaliteit waarvan ze vandaag zoveel zichtbaar plezier hebben, niet willen prijsgeven?

Ik beweer niet dat de milieubeweging geen recht en reden van spreken zou hebben. Maar om serieus en met bijbehorende consequenties te worden gehoord moet ze niet alleen ecologisch-arcadische perspectieven bieden, maar de baten en vooral de kosten erbij leveren. Dat is een politieke benadering die ze blijkbaar nog steeds niet wil of niet begrijpt.