Geef iedere werknemer zijn winstregeling

FNV-voorzitter Johan Stekelenburg noemt in NRC Handelsblad van 21 april de zogeheten optieregelingen voor managers “groepsegoïsme dat niet thuishoort in het Nederlandse poldermodel”. En hij is benieuwd naar de opvatting van VNO-NCW ter zake. De heer Stekelenburg had die kunnen kennen.

In de Volkskrant van 14 april stond dat VNO-NCW voorstander is van optieregelingen. Ook tegen de gedachte van minister-president Kok, dat deze 'exhibitionistische inkomensontwikkeling' fiscaal moet worden gecorrigeerd, heeft VNO-NCW stelling genomen.

Het taalgebruik van de heer Stekelenburg en zeker van de premier, die wij toch kennen als een prudent formulerend man, geeft aan dat de temperatuur rond deze zaak oploopt. Dat vraagt om een nadere reactie. Die is allereerst: laten we kalm blijven. De inkomensontwikkeling waarover we het hebben, weerspiegelt het beeld van een ongekende ontwikkeling van de aandelenkoersen. Verandert dit beeld, dan veranderen de inkomens.

Waarom bestaan de optieregelingen? Beursgenoteerde ondernemingen opereren veelal op een internationale markt en hebben vaak ook zelf een internationaal karakter. Dat betekent dat deze ondernemingen gehouden zijn het management naar internationale maatstaven te belonen. De heer Stekelenburg meent dat het niet erg zou zijn als managers die deze mate van beloning nodig hebben, naar elders zouden verdwijnen. Dit is een ernstige misvatting. Een van de ergste dingen die het Nederlandse bedrijfsleven en daarmee de economie en daarmee het welzijn van velen, kan overkomen is een uittocht van talentvol management. Nederland is geen eiland in een internationaliserende economie en kan dat ook niet zijn. Dat heeft consequenties, ook op het gebied van de inkomens van managers.

De gedachte achter het bestaan van de optieregelingen is ook niet louter gericht op het verbeteren van de inkomenspositie van het management. Optieregelingen beogen tevens de verbondenheid aan en de inzet voor de onderneming te bevorderen. Dat strekt ten voordele van allen die bij het bedrijf betrokken zijn, de aandeelhouders én de werknemers.

Het is een valse tegenstelling om de loonmatiging van het poldermodel rechtstreeks in verband te brengen met de optieregelingen. Het is niet zo dat het geld dat voortkomt uit loonmatiging verdwijnt in de zakken van hebzuchtige managers. Het geld uit optieregelingen wordt verdiend aan de beurs en niet onttrokken aan de onderneming.

De vraag waar het in dit debat feitelijk om gaat, is: “wat mag iemand in Nederland verdienen?” De heer Van Rees, voorzitter van de Verening van Ondernemingspensioenfondsen, heeft vorige week gezegd dat Nederland zich op dit punt niet mag laten leiden door jaloezie. Dat is kras gesteld, maar niet onwaar. Wij leven in een van oudsher egalitaire samenleving die zich weerspiegelt in het door het buitenland zo bewonderde poldermodel, maar evenzeer in ons fiscale stelsel.

Nederland is een buitenbeentje met de tarieven in de inkomstenbelasting, met de vermogensbelasting en met de successierechten. Deze genadeloze driehoek heeft al velen doen besluiten domicilie te kiezen in België. Wie fiscaal wil reageren op de inkomens voortkomend uit koersontwikkelingen, doet er goed aan zich bewust te zijn van de bestaande, fiscaal gezien, weinig aantrekkelijke situatie. Op een intensivering van de kapitaalvlucht naar elders zit niemand te wachten. Anders gezegd: wie een concurrerend belastingstelsel voor de 21ste eeuw wil ontwerpen, hetgeen toch een actuele ambitie is van dit kabinet, moet zich tenminste niet laten leiden door de waan van de dag. Hier is het vestigingsklimaat van Nederland bepaald niet mee gediend.

Ik denk dat de huidige discussie, die toch wat negatief geladen is, een positieve wending kan krijgen als we erin slagen resultaatafhankelijke beloningen in bredere lagen in ondernemingen te introduceren. In veel ondernemingen is dit al het geval, maar het zou ook een impuls kunnen zijn voor vernieuwing van de loonvorming. In plaats van loonsverhogingen geheel tot uitdrukking te brengen via collectieve percentages, verdient het aanbeveling een deel daarvan achterwege te laten en te vervangen door aan het resultaat van het bedrijf gekoppelde beloningen. Dit geeft de werknemers hun deel van het succes als het goed gaat in de onderneming en voorkomt te hoge arbeidskosten en dus werkloosheid in onverhoopt slechte tijden.

Op deze manier kan een nieuwe dimensie aan het poldermodel worden gegeven. Een model dat, dat ben ik met Johan Stekelenburg eens, de moeite waard is. Een model ook dat van ondernemers en managers vergt dat de regeling en de uitoefening van optierechten moet geschieden met inachtneming van het sociaal-economisch klimaat in dit land. Verstandige interne regelgeving en verstandig gedrag zijn de enige methoden om de spanning te overbruggen tussen wat de internationale markt vraagt en wat de onuitroeibare nationale neiging tot gelijkheidsdenken vergt.

Deze instrumenten zijn in ieder geval verre te verkiezen boven fiscale paardenmiddelen of ander grof geschut dat het polderlandschap zou ontsieren.