Uit zichzelf anderen helpen

Er staan alweer veranderingen voor de deur in het voortgezet onderwijs en de werkdruk is groot. Desondanks vinden veel leraren voor de klas staan leuk. Waarom? Zes docenten vertellen daarover. Dit is de derde aflevering.

Nan van Drunen (48) geeft 23 jaar Nederlands aan de eerste drie klassen van het Haags Montessorilyceum voor Mavo, Havo en VWO in Den Haag. Ze is in '69 begonnen als lerares op een katholieke meisjesschool.

“Als ik merk dat dezelfde vraag steeds terugkomt, bijvoorbeeld 'Wat is het koppelwerkwoord', dan leg ik de boel stil en geef ik een les koppelwerkwoord. Het is prettig om af en toe een klassikaal moment te hebben. In de eerste klas maken we samen een vervolgverhaal. De klas heeft een onderwerp uitgezocht en iedereen schrijft een bladzijde. Elke les leest een ander zijn stukje voor. Na een half jaar is dat afgelopen. Dan zijn er altijd wel een paar die het willen uittikken en illustreren. Dat kan wat mij betreft als keuzetaak. Als het een geslaagd verhaal is laten we het drukken en binden.

“Het lesmateriaal voor de eerste en de tweede klas hebben we zelf gemaakt. Voor de derde klas gebruiken we een methode. De kinderen werken een paar weken aan de basisstof, ieder in zijn eigen tempo, en gaan dan verder met keuzetaken. Vier daarvan zijn vrij, de leerlingen mogen doen waar ze zelf zin in hebben. De docent geeft er ook vier op. Als een kind een onderdeel nog niet goed beheerst, krijgt hij daarover nog een taak. Of als ik vermoed dat een kind veel meer kan, geef ik een zwaardere taak. Op die manier krijgt de een extra hulp en de ander verrijking. De leerlingen werken in groepjes en kijken hun werk zelf na, ik loop rond, beantwoord vragen en houd het tempo in de gaten.

“In mijn klas is het nooit muisstil. Het kan best een heel geroezemoes zijn. Maar als je dan goed gaat luisteren en iedereen is bezig met het vak, vind ik dat geen bezwaar. Daarom is het ook belangrijk even rond te lopen. Als je merkt dat ze gewoon maar wat zitten te kletsen dan kun je daarop inhaken: 'Nu even dit verhaal af en weer aan het werk'. Of je suggereert dat zo'n verhaal een onderwerp voor een opstel kan zijn.

“Rode draad in mijn lessen is dat kinderen leren nadenken, hun eigen mening vormen. Én dat ze uit zichzelf een ander helpen. Buiten het klaslokaal, in nissen in de gang voeren de kinderen discussietaken uit en overhoren ze elkaar boeken. Dat stimuleert ontzettend. Kinderen brengen elkaar zo op ideeën. Het is een hele goede manier om ze enthousiast te laten blijven lezen. In de onderbouw is bijna iedereen nog leesgek. Later wordt dat minder omdat ze veel moeten lezen, ook voor andere talen.

“Er zijn altijd kinderen die het moeilijk vinden om te lezen. Lezen en opstellen maken zijn gebieden waarop leerlingen snel achter raken. Met hen ga ik samen een boek uitzoeken. We hebben een prachtige bibliotheek waar ze eerst een paar bladzijden kunnen proberen. Bevalt dat niet, dan pakken we een ander boek. Met opstellen werkt dat precies zo. Ze kunnen gebruik maken van krantenartikelen en tijdschriften. En ik heb een lijst van opsteltitels gemaakt van onderwerpen waarvan ik uit ervaring weet dat die kinderen aanspreken. Of je vraagt waar hun interesses liggen. Dan komt er al snel iets uitrollen. Uitzonderingen daargelaten natuurlijk. Het lukt nooit helemaal.

“Iedere leerling moet elke week aan mijn tafel komen om te laten zien wat hij gedaan heeft. Is er een grote achterstand, dan trek ik hem meteen aan zijn jasje. Hij krijgt persoonlijk huiswerk op of moet terugkomen op het keuze-uur. In het uiterste geval kunnen leerlingen naar het huiswerkclubje dat we hier op school hebben. Bovenbouwleerlingen begeleiden tegen betaling de kinderen uit de lagere klassen. De een zit aan zijn eigen huiswerk terwijl de ander opdrachten maakt. Dat werkt heel goed, vooral omdat die oudere leerling precies weet wat de eigenaardigheden van een leraar zijn en waar naar gevraagd wordt. In het Montessori-onderwijs leren kinderen hun eigen werk in te delen. Ze moeten zelf beginnen en een planning maken. Die bovenbouwleerlingen weten dat. Die beginnen dan ook prachtig met: 'Maak maar eens een schema'. Je ziet ze dan echt bloedserieus samen plannen en heel streng overhoren.

“Als ik 's avonds thuis kom ben ik doodmoe. Maar ik zou het niet willen missen. Ik heb zelf geen kinderen, maar door de leerlingen blijf ik op de hoogte. Anders zou ik misschien gaan mopperen over 'de jeugd van tegenwoordig'. Sommigen kunnen dan wel rondhangen en er onverschillig uitzien, maar ze zijn erg begaan met de problemen van nu.

“Aan het begin van het schooljaar vind ik het altijd weer doodeng. Zou het dit jaar weer lukken? Het zijn nieuwe leerlingen en ik heb het een tijdje niet gedaan. Het lukt al 23 jaar, maar aan het eind van de vakantie slaap ik niet 's nachts.”