Leegte onder de 'V' van vrouwenbeweging

Vandaag wordt de Emancipatieraad opgeheven. Vier jaar later dan de meeste andere adviesraden, maar volgens velen toch te vroeg. Van een samenzweerderig clubje groeide hij in anderhalve decennia uit tot een produktief en zakelijk orgaan.

Het feminisme zat niet op Jeltien Kraaijeveld-Wouters te wachten. Links Nederland al evenmin, want de gereformeerde domineesdochter maakte sinds 1977 deel uit van het rechtse kabinet Van Agt/Wiegel. Kraaijeveld werd staatssecretaris van emancipatiezaken bij het ministerie van CRM en menig feministe fronste de wenkbrauwen. Het fronsen ging over in gegrom toen Kraaijeveld in de eerste de beste tv-uitzending waar haar werd gevraagd of zij feministe was, onomwonden 'nee' antwoordde.

Het gegrom verstomde toen zij het initiatief nam tot de oprichting van de Emancipatieraad (ER) als opvolger van de in 1974 geïnstalleerde Emancipatiekommissie (EK). Kraaijeveld stond een organisatie voor ogen die was samengesteld uit deskundigen van buiten de ambtelijke organisatie. Gevraagd en ongevraagd zouden zij de politiek kunnen adviseren. “In het kabinet is destijds een pittige discussie gevoerd over de Wet op de Emancipatieraad. Daarin was onder meer vastgelegd dat departementen op sommige onderdelen verplicht waren aan de ER advies te vragen. Die horzelfunctie was nodig. Ik ben niet echt upset dat de raad nu wordt opgeheven. Je moet een organisatie niet eeuwig willen behouden, hoewel het emancipatieproces zeker nog niet is voltooid. Daarom ben ik ook blij dat er iets voor de ER in de plaats komt. Onderwerpen als de combinatie zorg en werk moeten op de politieke en maatschappelijke agenda blijven staan.”

De Lage Landen, eind jaren zestig. Op straat en in menige huiskamer deed de vrouwenbeweging van zich spreken. De tweede feministische golf zwol aan. De vloer werd aangeveegd met de woorden van de 19de-eeuwse Deense theoloog en wijsgeer S⊘ren Kierkegaard: “Wat een ongeluk om een vrouw te zijn, maar het grootste ongeluk is wel dat de vrouw het niet begrijpt.” Vrouwen begrepen het daarentegen steeds beter, vooral dankzij de heldere analyses van wijlen Joke Smit. In een stroom van artikelen legde zij de mechanismen bloot die de traditonele man/vrouw-verhouding in stand hielden.

Het aan de kaak stellen en doorbreken van die mechanismen werd het doel van de vrouwenbeweging. “Wij willen af van de mentaliteit die mannen ziet als vanzelfsprekend beschikbaar voor de maatschappij en vrouwen als vanzelfsprekend - en gratis - beschikbaar voor het gezin”, aldus Smit in haar toespraak ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan van Man Vrouw Maatschappij in 1973. Een jaar later installeerde minister-president Den Uyl de Emancipatie-kommissie die tot 1981 bleef bestaan. De positie van vrouwen en meisjes in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, en een eerlijke verdeling van het werk binnen- en buitenshuis stonden hoog op de agenda.

Kraaijeveld: “De EK had een wat onduidelijke status: adviesorgaan en op onderdelen ook uitvoerder. Het was natuurlijk een heel goed fenomeen, maar ik wilde toch liever een meer officiële adviesraad. Potentiële leden moesten solliciteren, dat was in die jaren volstrekt ongebruikelijk.” Er meldden zich vierhonderd kandidaten, het merendeel vrouwen. Onder aanvoering van de eerste voorzitter van de ER, E. Schoo, togen uiteindelijk twaalf van hen aan de slag om 'Den Haag' met adviezen te bestoken. “Ze hebben gedaan wat ze moesten doen,in de loop van hun bestaan hebben ze meer dan driehonderd adviezen verstrekt. Eenderde gevraagd, tweederde ongevraagd. Daaruit kun je concluderen dat de ER nooit heeft zitten wachten op een telefoontje van een departement of de raad zich over een bepaald onderwerp wilde buigen. Het initiatief lag bij de raad”, zegt C. Dresselhuys, hoofdredacteur van het feministische maandblad Opzij.

De adviezen hadden betrekking op onder meer kinderopvang, bestrijding van seksueel geweld, het afschaffen van kostwinnerstoeslagen, wonen in groepsverband en vrouwenhulpverlening. Meer recentelijk kwamen daar het oudere moederschap, geboortetechnologie en eigen verblijfsvergunningen voor allochtone vrouwen bij. Dresselhuys: “De adviseurs hebben zich nooit met luchtfietserij beziggehouden. En door de jaren heen hebben ze aandacht gevraagd voor de combinatie werk buitenshuis en moederschap. Ze kwamen met voorstellen om meer parttime banen te scheppen, om kortere werkweken en een wettelijk verplicht recht op deeltijdarbeid.”

Na zijn ministerschap in het kabinet-Den Uyl was H. Vredeling van 1977 tot 1980 Europees commissaris voor werkgelegenheid en sociale zaken. Toen hij terugkeerde uit Brussel solliciteerde hij naar de functie van lid van de Emancipatieraad. Voor hij dat deed, vroeg hij zijn partijgenoot Den Uyl wat die ervan vond. Den Uyl toonde zich verbaasd, maar zei niet nadrukkelijk: 'niet doen, Henk'. “Ik heb de emancipatie als problematiek leren kennen in Brussel, waar ik haar in mijn portefeuille gelijke behandeling had. Tot die tijd had ik mij nooit gerealiseerd dat er überhaupt een vraagstuk was. Maar toen ik in Brussel werd geconfronteerd met de ongelijke positie van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid, begon er iets te dagen”, weet Vredeling nog.

Vredeling trad toe tot de ER. Hij herinnert zich de constructieve, soms samenzweerderige sfeer die er in de beginjaren heerste. “Er werd vooral actie gevoerd, het moest maar eens afgelopen zijn met die discriminatie. Dat was de stemming.” De efficiënte manier van vergaderden sprak hem aan. Sociale zekerheid en de positie van huisvrouwen hadden zijn speciale belangstelling. “Ik verdedigde altijd huisvrouwen, daar werd ik wel mee geplaagd. Dan zeiden andere leden: 'vind je het gek, hij heeft er belang bij'. Maar het werd nooit vervelend.”

Vredeling maakte zich een enkele keer zorgen over het feit dat bepaalde leden elkaar niet mochten. “Mannen hebben natuurlijk ook weleens ruzie, maar dan slaan ze elkaar na afloop op de schouder en drinken een borrel. Maar als deze vrouwen wat met elkaar hadden, gingen ze in een hoek zitten en zeiden ze geen dag meer tegen elkaar.” In zijn herinnering veranderde de sfeer toen Schoo in 1983 werd opgevolgd door D. van Leeuwen-Schut. “Met haar komst verslechterde de sfeer merkbaar. Dat lag niet aan de raad maar aan Van Leeuwen. Overal waar zij komt, komt ruzie.”

Met het aantreden van Van Leeuwen werd een koerswijziging in gang gezet. Zij koos er uitdrukkelijk voor bij maatschappelijke organisaties te rade te gaan alvorens adviezen op papier te zetten. Voor haar komst was van geregeld overleg met werkgeversorganisaties, bijvoorbeeld, nauwelijks sprake. Van Leeuwen: “Sommigen keken er zeer argwanend tegenaan, omdat ze vonden dat je geen vuile handen moest maken. Maar je hebt anderen, ook mannen, nodig om je doeleinden te bereiken. Ik heb geprobeerd het emancipatieproces te verzakelijken.”

Voor het eerst rekende het Centraal Plan Bureau voorstellen van de ER op het gebied van kinderopvang en deeltijdarbeid door. Terugblikkend noemt Van Leeuwen de grootste verdienste van de raad dat op alle beleidsterreinen met de positie van vrouwen rekening wordt gehouden. Of dat na de opheffing van de ER zo blijft, durft ze niet te voorspellen. Het idee van minister Melkert om drie wijze vrouwen te belasten met het toezicht op het emancipatiebeleid, vindt Van Leeuwen niet onaardig. “Het hangt er natuurlijk wel vanaf wat voor bevoegdheden zij krijgen en in hoeverre naar hen wordt geluisterd. Maar dat gold in wezen ook voor de ER. Je kon veel adviseren, maar de pest van adviezen is dat ze in een la kunnen verdwijnen.” Ze zou geen nee zeggen wanneer haar wordt gevraagd deel uit te maken van het toekomstige wijze trio.

Europarlementariër en oud-staatssecretaris d'Ancona noemt het voorstel van Melkert “een doekje voor het bloeden”. Zij neemt het de ER kwalijk dat van die kant geen alternatief op tafel is gelegd toen duidelijk werd dat het zwaard van de bezuinigingen ook deze raad zou treffen. “Ik heb alle vertrouwen in de wijsheid van vrouwen, maar dat drie vrouwen in staat zullen zijn ingrijpende maatschappelijke problemen te analyseren en van een oplossing te voorzien, zou niet minder dan een wonder zijn. Ik kan geen vrouw bedenken die daartoe in staat is”, aldus d'Ancona.

Volgens d'Ancona had de ER het 'Brusselse model' voor Nederland moeten uitwerken. “In het Europarlement hebben we een commissie rechten van de vrouw, die vaak een oordeel geeft over resoluties die door andere commissies worden opgesteld. Niet alles op het terrein van de emancipatie wordt naar deze commissie doorgesluisd, maar zij wordt wel in staat gesteld haar visie te geven op beleidsterreinen.”

“Ik denk dat mevrouw d'Ancona vanwege haar verblijf in Brussel een aantal dingen heeft gemist”, riposteert de huidige èn laatste voorzitter van de ER, G. den Ouden. “Wij hebben drie adviezen uitgebracht over de noodzaak van een expertisecentrum emancipatie. Wat Melkert nu gaat instellen is een antwoord op die adviezen. Wij hadden meer gewild maar dat bleek niet haalbaar.” Gedurende haar voorzitterschap, sinds 1989, heeft de raad zich onder meer beziggehouden met de vraag hoe werknemers met kinderen hun baan en zorgtaken thuis kunnen combineren, met buitenschoolse opvang en de positie van vluchtelingenvrouwen.

Den Ouden zette de lijn van haar voorgangster Van Leeuwen voort en schuwde het contact met werkgevers- en werknemersorganisaties niet. Nog levendig staat haar het bezoek aan de toenmalige voorzitter van de werkgeversorganisatie NCW, W. Andriessen, voor ogen. “Ik heb later gehoord dat de man heel verbaasd was dat wij normaal geklede vrouwen waren die ook nog verstand hadden van de economie. Hij had vrouwen in een tuinbroek verwacht, met punkhaar.”

Er is op emancipatiegebied wel veel tot stand gebracht, meent Den Ouden. “Vrouwen zijn massaal de arbeidsmarkt op gegaan, maar we zitten nog te veel in de sfeer van de aanpassing. Maatgevend is nog steeds de witte man van 35 jaar. Het moet eens zo worden dat een versmelting plaats heeft, dat mannen èn vrouwen samen de maat der dingen bepalen.” Van het kabinet had ze de afgelopen jaren wel wat meer meer verwacht, zegt ze. Niet alleen nota's waarin wordt opgemerkt dat de maatschappij balanceert tussen traditie en verandering maar waarin tevens wordt aangegeven wat de opstelling van het kabinet terzake is. “Kies je voor het traditionele dan hebben wij niets te verwachten. Kies je voor de vooruitgang dan wil ik dat ook zien in beleidsvoornemens. Je kunt het een jonge generatie niet aandoen dat zij eeuwig zit te worstelen met de vraag: hoe combineer ik partner, kind en werk?”

In haar ogen komt de opheffing van de ER dan ook te vroeg en ze vreest dat met het verdwijnen van de specifieke deskundigheid - de raad had een eigen wetenschappelijk bureau - de emancipatie weleens helemaal van de politieke agenda zou kunnen verdwijnen.

Hoofdredacteur Dresselhuys van Opzij deelt deze vrees. Wel wil ze de drie wijze vrouwen het voordeel van de twijfel geven. Om nu al te zeggen dat het niks wordt, zou wel erg cynisch zijn, oordeelt ze. “Maar het wordt wel kaal om ons heen. Twintig jaar geleden barstte het van de initiatieven op vrouwengebied. In iedere stad was er wel een vrouwenhuis en een vrouwengezondheidszorg. Als je nu om je heen kijkt, zie je nog maar weinig. Onder de 'V' van vrouwenbeweging vind je niets meer in het telefoonboek.”